1
Net toen ik Salvatore bijna had ingehaald, hoorde ik mijn zusje schreeuwen. Ik draaide me om en zag haar verdwijnen, kopje onder in het graan dat de heuvel overdekte.
Ik had haar niet mogen meenemen, mama zou me vreselijk op mijn kop geven. Ik stopte, helemaal bezweet, haalde diep adem en riep: ‘Maria? Maria?’
Ze antwoordde met een zielig stemmetje. ‘Michele!’
‘Heb je je pijn gedaan?’
‘Ja, je moet komen.’
‘Waar heb je je pijn gedaan?’
‘Mijn been.’
Ze deed maar alsof, ze was moe. Ik loop door, zei ik tegen mezelf. Maar als ze zich nou echt pijn had gedaan?
Waar waren de anderen?
Ik zag hun sporen in het graan. Langzaam klommen ze omhoog, evenwijdig aan elkaar, als de vingers van een hand, naar de top van de heuvel, hele banen geknakte halmen achterlatend.
==
Het graan stond dat jaar hoog. Tegen het eind van het voorjaar had het overvloedig geregend en half juni waren de korrels dikker dan ooit. De planten stonden dicht op elkaar, met heel veel halmen, rijp voor de oogst.
Alles was overdekt met graan. De lage heuvels volgden op elkaar als de golven van een goudgele oceaan. Tot aan de horizon graan, lucht, krekels, zon en hitte.
Op mijn negende had ik geen idee hoe heet het was, van graden enzo had ik geen verstand, maar dat het niet normaal was wist ik wel.
Die vervloekte zomer van 1978 is nog steeds berucht als een van de heetsten van de eeuw. De hitte drong in de stenen, verpulverde de aarde, verschroeide de planten en doodde de dieren, stak de huizen in brand. De tomaten in de moestuin waren droog, de courgettes klein en keihard. De zon benam je de adem, je energie, je zin om te spelen, alles. En ’s nachts was het ook niet te harden.
De grote mensen van Acqua Traverse gingen het huis niet uit voor zes uur ’s avonds. Ze sloten zich binnen op, de luiken dicht. Alleen wij waagden ons op het zinderende, verlaten land.
Mijn zusje Maria was vijf en liep me overal achterna, met de hardnekkigheid van een straathondje dat uit het asiel is gehaald.
‘Ik wil met jou meedoen,’ zei ze altijd. Mama gaf haar gelijk.
‘Ben je nou haar grote broer of niet?’ En ook al ging ik op mijn kop staan, ik moest haar meeslepen.
Niemand was gestopt om haar te helpen.
Logisch, het was een wedstrijd.
==
‘Recht omhoog de heuvel op. Geen bochten. Verboden om achter elkaar aan te klimmen. Verboden om te stoppen. Wie het laatst boven is krijgt straf.’ Dat had de Doodskop beslist, en voor mij had hij met zijn hand over zijn hart gestreken. ‘Oké, je zusje doet niet mee, die is te klein.’
‘Ik ben niet te klein!’ had Maria geprotesteerd. ‘Ik wil ook meedoen!’ En toen was ze gevallen.
Jammer, ik was derde.
Antonio was de eerste. Zoals altijd.
Antonio Natale, bijgenaamd de Doodskop. Waarom ze hem de Doodskop noemden, weet ik niet meer. Misschien omdat hij een keer een schedel op zijn arm had, zo’n plaatje dat je bij de sigarenwinkel kunt kopen en met water op je vel kunt afdrukken. De Doodskop was de oudste van de bende. Twaalf jaar. En hij was de baas. Hij vond het leuk om te commanderen en als je niet luisterde werd hij kwaad. Hij was niet echt pienter, maar wel groot, sterk en een durfal. En hij klauterde als een bulldozer tegen die rotheuvel op.
De tweede was Salvatore.
Salvatore Scardaccione was negen, net als ik. We zaten bij elkaar in de klas. Hij was mijn beste vriend. Salvatore was langer dan ik, een wat eenzelvige jongen. Soms deed hij met ons mee, maar meestal ging hij zijn eigen gang. Hij was slimmer dan de Doodskop en had hem makkelijk kunnen overtroeven, maar hij hoefde niet zo nodig de baas te spelen. Zijn vader, advocaat Emilio Scardaccione, was iets belangrijks in Rome en had een hoop geld in Zwitserland. Dat zei iedereen.
Dan kwam ik, Michele. Michele Amitrano. Ook deze keer was ik de derde, ik schoot al lekker op, maar door de schuld van mijn zusje kon ik niet doorgaan.
Ik aarzelde nog of ik terug zou gaan of haar achter zou laten toen ik ontdekte dat ik vierde was. Die slome Remo Marzano had me langs de andere kant van de heuvelrug ingehaald. En als ik niet meteen verder klauterde, haalde zelfs Barbara Mura me in.
Dat zou een ramp zijn. Ingehaald worden door een meisje. Door die vetzak.
Barbara Mura klom op handen en voeten omhoog, als een dolle zeug, helemaal bezweet en onder de aarde.
‘Wat doe je nou, ga je niet naar je zusje? Heb je haar niet gehoord? Ze heeft zich pijn gedaan, ze huilt,’ knorde ze tevreden. Deze ene keer zou zij de straf ontlopen.
‘Ik ga al, ik ga al... En ik haal je heus nog wel in.’ Zo makkelijk zou ze er niet af komen.
Ik draaide me om en begon omlaag te rennen, met mijn armen zwaaiend en brullend als een Sioux. Mijn leren sandalen gleden weg over de halmen. Een paar keer kwam ik op mijn achterste terecht.
Ik zag haar nergens. ‘Maria! Maria! Waar zit je?’
‘Michele...’
Kijk! Daar was ze. Klein en ongelukkig. Op een krans van geknakte halmen. Met een hand wreef ze over haar enkel en met de andere hield ze haar bril vast. Haar haar zat op haar voorhoofd geplakt en haar ogen glinsterden. Toen ze me zag trok ze haar mondhoeken omlaag en blies ze zich op als een kalkoen.
‘Michele...?’
‘Maria, door jouw schuld heb ik verloren! Ik had toch gezegd dat je niet mee mocht, stom kind!’ Ik ging zitten. ‘Wat is er?’
‘Ik ben gestruikeld. Mijn voet doet zeer.’ Ze deed haar mond wagenwijd open, kneep haar ogen dicht, schudde haar hoofd en zette een keel op: ‘Mijn bril! Mijn bril is kapot!
Ik had haar het liefst een flinke klap gegeven. Het was al de derde keer dat haar bril stuk was sinds de schoolvakantie was begonnen. En wie kreeg dan telkens van mama op zijn kop?
‘Je moet op je zusje letten, jij bent haar grote broer.’
‘Mama, ik...’
‘Niks geen mama ik. Je begrijpt het nog steeds niet, maar het geld groeit niet aan de bomen. De volgende keer dat die bril weer stuk is krijg je zo op je duvel dat je...’
Hij was in het midden gebroken, waar hij al een keer gelijmd was. Je kon hem net zo goed weggooien.
Mijn zusje zat intussen nog steeds te jammeren.
‘Mama... wordt boos... Wat moet ik nou?’
‘Wat we moeten? Plakband erom. Opstaan, schiet op.’
‘Met plakband wordt-ie lelijk. Heel lelijk. Dat wil ik niet.’
Ik stopte de bril in mijn zak. Zonder bril zag Maria niet goed, ze was scheel en de dokter had gezegd dat ze geopereerd moest worden voordat ze groot was. ‘Kan mij wat schelen. Ga staan.’
Ze hield op met huilen en haalde haar neus op. ‘Mijn voet doet zeer.’
‘Waar?’ Ik dacht nog steeds aan de anderen, die waren vast al een uur op de heuvel. Ik was de laatste. Het enige wat ik hoopte was dat de Doodskop geen al te zware straf zou bedenken. Toen ik een andere keer had verloren had hij me gedwongen om door de brandnetels te rennen.
‘Waar doet het zeer?’
‘Daar.’ Ze wees op haar enkel.
‘Gewoon gekneusd. Niks aan de hand. Gaat zo over.’
Ik maakte haar gymschoen los en trok hem heel voorzichtig uit. Zoals een dokter zou doen. ‘Gaat het zo beter?’
‘Een beetje. Gaan we naar huis? Ik heb zo’n dorst. En mama...’
Ze had gelijk. We waren veel te ver weg. En al veel te lang. Het was ver over etenstijd en mama stond vast voor het raam op de uitkijk.
Er zou bij thuiskomst wel wat zwaaien.
Maar wie had daar een paar uur geleden aan gedacht.
==
Die ochtend hadden we onze fietsen gepakt.
Meestal maakten we kleine tochtjes, tussen de huizen door, tot waar de velden beginnen bij de droge beekbedding, en dan draaiden we om en hielden we een wedstrijdje.
Mijn fiets was een oud karretje met een opgelapt zadel, en zo hoog dat ik helemaal schuin moest hangen om bij de grond te komen.
Iedereen noemde hem de Scassona. Salvatore zei dat de alpenjagers er zo een hadden. Maar ik vond het gewoon een fijne fiets, hij was van mijn vader geweest.
Als we niet gingen fietsen bleven we in de straat om te voetballen, of diefje met verlos te spelen, of Annemaria koekoek, of om niks te doen onder het afdak van de schuur.
We konden doen wat we wilden. Auto’s kwamen er niet langs.
Het was nergens gevaarlijk. En de grote mensen hielden zich koest in de huizen, als padden die wachten tot de hitte over is.
De tijd kroop voorbij. Aan het eind van de zomer snakte iedereen ernaar dat de school weer begon.
Die ochtend waren we weer eens over de varkens van Melichetti begonnen.
Daar hadden we het vaak over, die varkens van Melichetti. Ze zeiden dat de oude Melichetti ze trainde om kippen op te vreten, en soms zelfs de konijnen en de katten die hij onderweg oppikte.
De Doodskop spuugde een klodder wit slijm uit. ‘Ik heb het nog nooit aan jullie verteld, omdat ik niks mocht zeggen. Maar nu zeg ik het wel: die varkens hebben de teckel van Melichetti’s dochter opgevreten.’
Iedereen riep in koor: ‘Nee, niet waar!’
‘Wel waar. Ik zweer het bij het hart van de Madonna. Levend, springlevend.’
‘Dat kan niet!’
Wat voor beesten moesten dat wel zijn, dat ze zelfs een rashond opaten!
De Doodskop knikte. ‘Melichetti heeft hem zelf over de omheining gegooid. Die teckel probeerde nog te ontsnappen, een slim beest, maar de varkens van Melichetti zijn nog slimmer. Hij had geen schijn van kans. Binnen twee seconden was hij er geweest.’ Toen voegde hij er nog aan toe: ‘Nog erger dan wilde zwijnen.’
Barbara vroeg: ‘Waarom heeft hij hem erin gegooid?’
De Doodskop dacht even na. ‘Hij had in huis gepiest. En als jij daar terechtkomt, dan vreten ze je kaal tot op het bot, een lekkere kluif.’
Maria stond op. ‘Is Melichetti gek?’
De Doodskop spuugde weer op de grond. ‘Nog veel gekker dan zijn varkens.’
We zeiden niets meer en stelden ons Melichetti’s dochter met haar gemene vader voor. Niemand van ons wist hoe ze heette, maar ze was beroemd omdat ze een soort ijzeren pantser om een van haar benen had.
‘We kunnen best gaan kijken,’ zei ik voor ik er erg in had.
‘Een ontdekkingsreis!’ riep Barbara.
‘Het is heel ver naar de boerderij van Melichetti, dat kost uren,’ bromde Salvatore.
‘Helemaal niet, het is vlakbij, kom op...’ De Doodskop klom op zijn fiets. Hij liet nooit een gelegenheid voorbijgaan om Salvatore te kleineren.
Ik kreeg een idee. ‘Waarom nemen we geen kip uit het kippenhok van Remo mee, dan gooien we die over de omheining bij de varkens, dan kunnen we zien hoe ze hem afkluiven.’
‘Gaaf!’ De Doodskop gaf zijn goedkeuring.
‘Papa vermoordt me als we een kip meenemen,’ jammerde Remo.
Maar er was geen houden meer aan, het was een fantastisch idee.
We gingen het kippenhok in, zochten het magerste en kaalste kippetje uit en stopten het in een zak.
Toen vertrokken we, met ons zessen en de kip, om naar die beruchte varkens van Melichetti te gaan kijken, op de fiets door het graan, en bij elke trap kwam de zon hoger, tot alles zinderde.
==
Salvatore had gelijk, de boerderij van Melichetti was een heel eind weg. Toen we er waren, stierven we van de dorst en gloeide ons hoofd.
Melichetti zat op een oude schommelstoel onder een scheefgezakte parasol, met een zonnebril op.
De boerderij stond op instorten en het dak was zo goed en zo kwaad als het ging opgelapt met stukken golfplaat en teer. Op het erf stonden overal afgedankte spullen: tractorwielen, een verroeste Bianchina, stoelen zonder zitting, een tafel waar een poot aan ontbrak. Aan een met klimop begroeide houten paal waren door regen en zon verweerde koeienschedels opgehangen. En een kleinere schedel, zonder hoorns. Van wat voor beest zou die zijn?
Een onbestemde kettinghond stond te blaffen, vel over been.
Verder naar achteren stonden golfplaten hokken en de omheining met de varkens, aan de rand van een ravijn.
Ravijnen zijn kleine canyons, lange, door het water in de steen uitgesleten kloven. Witte punten, rotsen en vlijmscherpe tanden steken uit de rode aarde. Er groeien meestal kromme olijven, aardbeibomen en muizendoorns, en er zijn grotten waar herders hun schapen in onderbrengen.
Melichetti leek wel een mummie. Zijn gerimpelde vel hing los om hem heen en hij had nergens haar, behalve een wit plukje midden op zijn borst. Om zijn hals zat een orthopedische kraag, vastgemaakt met groene elastieken, en hij droeg een zwarte korte broek en bruine plastic slippers.
Hij zag ons op onze fietsen aankomen maar verroerde geen vin. We hadden voor hem waarschijnlijk iets van een fata morgana. Er kwam nooit iemand over die weg, hoogstens een enkele vrachtwagen met hooi.
Het stonk naar pis. En er waren miljoenen paardenvliegen. Maar Melichetti had er geen last van. Ze gingen op zijn hoofd zitten en om zijn ogen, net als bij koeien. Alleen als ze op zijn mond neerstreken blies hij even.
De Doodskop stapte naar voren. ‘We hebben dorst, meneer. Hebt u misschien een beetje water voor ons?’
Ik was er niet gerust op, want een man als Melichetti kon je doodschieten, je voor de varkens gooien of vergiftigd water te drinken geven. Papa had me verteld over de een of ander in Amerika, die een meertje had waarin hij krokodillen hield, en als je daar stopte om iets te vragen liet hij je binnen, gaf je een klap op je kop en voerde je dan aan de krokodillen. En toen de politie kwam was hij niet naar de gevangenis gegaan maar had hij zich laten opvreten. Je had best kans dat Melichetti er ook zo een was.
De oude man zette zijn zonnebril af.
‘Wat doen jullie hier, jongens? Zijn jullie niet een beetje te ver van huis?’
‘Is het echt waar dat u uw teckel aan de varkens hebt gevoerd, meneer Melichetti?’ flapte Barbara eruit.
Ik ging door de grond. De Doodskop draaide zich om en wierp haar een vernietigende blik toe. Salvatore schopte tegen haar schenen.
Melichetti begon te lachen en moest daardoor zo hoesten dat hij bijna stikte. Toen hij weer bijkwam zei hij: ‘Wie heeft je dat soort onzin wijsgemaakt, meisje?’
Barbara wees naar de Doodskop. ‘Hij daar!’
De Doodskop kreeg een kleur, boog zijn hoofd en keek naar zijn schoenen.
Ik wist waarom Barbara dat had gezegd.
Een paar dagen geleden hadden we een wedstrijd stenen gooien gehouden en toen had Barbara verloren. Als straf had de Doodskop haar gedwongen haar bloesje los te knopen en haar borst te laten zien. Barbara was elf. Ze had nog nauwelijks tietjes, bobbeltjes, helemaal niks in vergelijking met wat ze over een paar jaar zouden zijn. Ze had geweigerd.
‘Als je het niet doet, hoef je niet te denken dat je nog eens met ons mee mag,’ had de Doodskop gedreigd. Het had me niet lekker gezeten, die straf was niet eerlijk. Ik vond Barbara niet aardig, zodra ze de kans kreeg probeerde ze je dwars te zitten, maar haar tietjes laten zien, nee, dat ging volgens mij te ver.
De Doodskop had besloten: ‘Of je laat ze zien of je gaat weg.’
Zonder iets te zeggen was Barbara haar bloesje los gaan knopen.
Ik kon er niks aan doen, maar ik moest kijken. Het waren de eerste tietjes die ik in mijn leven zag, als ik die van mama niet meetel. Misschien had ik die van mijn nichtje Evelina gezien, die tien jaar ouder was dan ik en een keer bij ons was komen slapen. In ieder geval had ik me al wel een voorstelling gemaakt van tieten die ik mooi vond, en die van Barbara vond ik helemaal niks. Ze leken op zachte kaasjes, op huidplooien, niet veel anders dan de vetrolletjes die ze op haar buik had.
Dat hele gedoe zat Barbara nog steeds dwars en nu wilde ze de Doodskop met gelijke munt betalen.
‘Dus jij strooit het praatje rond dat ik mijn teckel aan de varkens voer.’ Melichetti krabde zijn borst. ‘Augusto, zo heette die hond. Net als de keizer van Rome. Hij was dertien jaar toen hij doodging. Er was een kippenbotje in zijn keel blijven steken. Hij is begraven als een christenmens, in een fatsoenlijk graf.’ Hij stak zijn vinger naar de Doodskop uit. ‘Ik durf te wedden dat jij de oudste bent, jochie.’
De Doodskop gaf geen antwoord.
‘Je mag nooit leugens vertellen. En nooit de goede naam van anderen bekladden. Je moet de waarheid spreken, vooral tegen iemand die jonger is dan jij. De waarheid, altijd. Tegen de mensen, tegen jezelf en tegen God de Vader, begrepen?’ Hij leek wel een priester die een preek houdt.
‘Plaste hij dan niet in huis?’ drong Barbara aan.
Melichetti probeerde nee te schudden, maar de kraag belette het hem. ‘Het was een zindelijke hond, een uitstekende rattenvanger. Moge hij rusten in vrede.’ Hij wees naar de bron. ‘Als jullie dorst hebben, daar is water. Het beste van de hele omgeving. En dat is geen onzin.’
We dronken tot we bijna barstten. Het water was koel en lekker.
Toen begonnen we elkaar nat te spetten en hielden we onze hoofden onder de straal.
De Doodskop begon er weer over dat Melichetti een viezerik was en dat hij zeker wist dat die ouwe zak zijn teckel aan de varkens had gevoerd.
Hij keek Barbara strak aan en zei: ‘Daar zul je voor boeten.’ Mopperend liep hij weg om in zijn eentje aan de overkant van de weg te gaan zitten. Salvatore, Remo en ik gingen schrijvertjes vangen. Mijn zusje en Barbara hurkten aan de rand van de bron en staken hun voeten in het water.
Na een paar minuten kwam de Doodskop opgewonden terug.
‘Moet je zien! Moet je zien! Moet je zien wat een kanjer!’
We keken om: ‘Wat is er?’
‘Die daar.’
Het was een heuvel.
Het leek wel een suikerbrood. Een kolossaal suikerbrood, door een reus op de vlakte gelegd. Een paar kilometer voor ons stak hij boven alles uit. Goudgeel en enorm. Overdekt met graan, als een vacht. Geen boom, geen uitsteeksel, geen hobbeltje dat het profiel bedierf. De hemel erboven was klam en vaal. De andere heuvels, erachter, leken wel dwergen vergeleken met die geweldige koepel.
Geen idee waarom geen van ons hem eerder had opgemerkt. We hadden hem wel gezien, maar hij was ons niet opgevallen. Misschien omdat hij helemaal één was met het landschap. Misschien omdat we onze ogen alleen hadden gebruikt om de weg naar de boerderij van Melichetti te vinden.
‘Laten we erop klimmen.’ De Doodskop wees omhoog. ‘Laten we naar boven klimmen.’
Ik zei: ‘Hoe zou het daar boven zijn.’
Het was vast een fantastische plek, misschien leefde er wel een of ander vreemd beest. Niemand van ons was ooit zo hoog geklommen.
Salvatore hield zijn hand boven zijn ogen en keek naar de heuveltop. ‘Wedden dat je daar de zee kunt zien. Ja, we moeten naar boven klimmen.’
Zonder iets te zeggen bleven we staan kijken.
Dat was nog eens een avontuur, wel wat anders dan Melichetti’s varkens.
‘En dan planten we onze vlag op de top. Als er dan iemand naar boven gaat weet hij meteen dat wij hem voor zijn geweest,’ stelde ik voor.
‘Wat voor vlag? We hebben geen vlag,’ zei Salvatore.
‘Dan hangen we die kip op.’
De Doodskop pakte de zak waar de vogel in zat en begon ermee door de lucht te zwaaien. ‘Gaaf! We draaien zijn nek om en dan steken we een stok in zijn kont en die zetten we in de grond. Dan blijft alleen het geraamte over. Ik neem hem wel mee naar boven.’
Een gespieste kip zou vast worden aangezien voor een teken dat door heksen was achtergelaten.
Maar de Doodskop had nog een troef achter de hand.
‘Recht omhoog de heuvel op. Geen bochten. Verboden om achter elkaar aan te klimmen. Verboden om stil te staan. Wie het laatst boven is krijgt straf.’
We stonden met onze mond vol tanden. Een wedstrijd! Waarom?
Zo klaar als een klontje. Om zich op Barbara te wreken. Die zou als laatste aankomen, dus de klos zijn.
Ik dacht aan mijn zusje. Ik zei dat ze te klein was om mee te doen en dat het niet telde, omdat ze toch zou verliezen.
Barbara schudde met haar vinger van nee. Ze had best door dat de Doodskop een kleine verrassing voor haar in petto had.
‘Nou en? Een wedstrijd is een wedstrijd. Ze is met ons meegekomen. Anders moet ze hier beneden op ons wachten.’
Dat kon niet. Ik kon Maria niet alleen laten. Dat verhaal over die krokodillen spookte nog steeds door mijn hoofd. Melichetti was aardig tegen ons geweest, maar je wist maar nooit. Wat moest ik tegen mama zeggen als hij haar doodmaakte?
‘Als mijn zusje hier blijft, blijf ik ook.’
Maria deed ook een duit in het zakje. ‘Ik ben niet klein! Ik wil meedoen!’
‘Hou je mond!’
De Doodskop kwam met een oplossing. Ze mocht mee, maar zonder wedstrijd. We gooiden de fietsen achter de bron neer en gingen op weg.
==
Zo was ik dus op die heuvel terechtgekomen.
Ik trok Maria haar schoen weer aan.
‘Kun je lopen?’
‘Nee, hij doet veel te zeer.’
‘Wacht.’ Ik blies twee keer op haar been. Daarna stak ik mijn handen in de gloeiendhete aarde, nam er een beetje van, spuugde erop en smeerde het op haar enkel. ‘Zo gaat het wel over.’ Ik wist best dat het niet werkte. Aarde hielp tegen bijensteken en brandnetelprikken, niet tegen kneuzingen, maar misschien trapte ze erin. ‘Gaat het al beter?’
Ze veegde haar neus aan haar mouw af. ‘Een beetje.’
‘Kun je erop lopen?’
‘Ja.’
Ik nam haar bij de hand. ‘Dan gaan we, kom op, anders zijn we de laatsten.’
We gingen op weg naar de top. Elke vijf minuten moest Maria gaan zitten om haar been te laten rusten. Gelukkig was er wat wind opgestoken, die het wat draaglijker maakte. Hij ruiste door het graan met een geluid dat wel een zucht leek. Plotseling dacht ik dat ik een beest langs zag glippen. Zwart, snel, geluidloos. Een wolf? Er waren geen wolven bij ons in de buurt. Misschien een vos of een hond.
De helling was steil en er kwam geen eind aan. Het enige dat ik zag was graan, maar toen ik een klein streepje hemel ontdekte wist ik dat het niet veel meer scheelde, dat daar de top was, en voor we het wisten waren we opeens boven.
Er was eigenlijk niet veel aan. Hij was net als alles overdekt met graan. Onder onze voeten dezelfde rode, kokendhete aarde. Boven ons hoofd dezelfde witgloeiende zon. De zee kon je niet zien, maar je zag wel de andere, lagere heuvels, en de boerderij van Melichetti met zijn varkenskotten, en het ravijn, en je zag de witte weg dwars door de velden, de lange weg waar we over hadden gefietst om helemaal hier te komen. En heel, heel klein, kon je het gehucht zien waar wij woonden. Acqua Traverse. Vier huisjes en een oud landhuis, verloren tussen het graan. Lucignano, het naburige dorp, was onzichtbaar door de nevel.
Mijn zusje zei: ‘Ik wil ook kijken. Laat mij ook eens kijken.’
Ik zette haar op mijn schouders, al kon ik van vermoeidheid niet meer op mijn benen staan. Ik vroeg me af wat ze zonder bril kon zien.
‘Waar zijn de anderen?’
Waar ze langs waren gekomen staken de halmen alle kanten op, waren heel wat stengels halverwege geknakt en sommige gebroken. We volgden de sporen naar de andere kant van de heuvel.
Maria greep mijn hand en zette haar nagels in mijn vel. ‘Gatver!’
Ik draaide me om.
Ze hadden het gedaan. Ze hadden het kippetje gespietst. Het stak op de punt van een bamboestengel. Met bungelende poten en gespreide vleugels. Alsof het beest zich, voordat het de geest gaf, aan zijn beulen had overgegeven. Zijn kop hing naar één kant, als een huiveringwekkend, met bloed doordrenkt tegenwicht. Uit zijn halfopen snavel sijpelden dikke rode druppels. En uit zijn borst stak de punt van de bamboestengel. Een zwerm metaalkleurige vliegen gonsde eromheen en krioelde op zijn ogen, op het bloed.
Er liep een rilling over mijn rug.
We liepen door en toen we over de kam van de heuvel waren begonnen we aan de afdaling.
Waar waren de anderen verdomme gebleven? Waarom waren ze aan die kant naar beneden gegaan?
We legden nog zo’n twintig meter af voor we dat in de gaten kregen.
De heuvel was niet rond. Aan de achterkant was hij verre van volmaakt. Daar kreeg hij een soort bochel, die heel geleidelijk afliep tot hij in de vlakte opging. Over het midden ervan liep een smal dal, dat alleen daarboven of vanuit een vliegtuig zichtbaar was.
Je kunt die heuvel makkelijk met klei namaken. Je hoeft alleen maar een bal te maken en die in tweeën te snijden. Eén helft leg je op tafel. Van de andere helft maak je een worst, een soort dikke worm om er aan vast te plakken, en in het midden maak je een gleuf.
Het gekke was dat er in dat dalletje bomen groeiden. Beschut tegen de wind en de zon groeide er een bosje eiken. En door het groene gebladerte schemerde een verlaten huis, een dak vol gaten, met bruine dakpannen en donkere steunbalken.
==
We gingen over het weggetje omlaag, het kleine dal in.
Het was het laatste dat ik had verwacht. Bomen. Schaduw. Koelte.
Geen krekel meer te horen, wel het gekwetter van vogels. Er groeiden paarse dwergcyclaampjes en hele tapijten van groene klimop. En het rook er lekker. Je kreeg zo zin om een plekje naast een boomstam te zoeken en een dutje te doen.
Opeens dook Salvatore op, als een spook. ‘Zie je dat? Goed hè?’
‘Super!’ antwoordde ik, om me heen kijkend. Misschien was er een beekje waar je uit kon drinken.
‘Waarom heb je er zo lang over gedaan? Ik dacht dat je naar beneden was gegaan.’
‘Nee, dat kwam doordat mijn zusje pijn aan haar voet had, daarom... Ik heb dorst, ik moet wat drinken.’
Salvatore haalde een fles uit zijn rugzak. ‘Er is niet veel meer.’
We deelden het broederlijk met Maria. Je kon er nauwelijks je mond mee spoelen.
‘Wie heeft gewonnen?’ Ik maakte me zorgen over de straf.
==
Ik was doodmoe en hoopte dat de Doodskop hem voor één keertje zou kwijtschelden, of uitstellen tot een andere dag.
‘De Doodskop.’
‘En jij?’
‘Tweede, en toen Remo.’
‘Barbara?’
‘Laatste, zoals altijd.’
‘Wie krijgt de straf?’
‘De Doodskop zegt dat Barbara straf krijgt. Maar Barbara zegt dat jij aan de beurt bent, omdat jij de laatste was.’
‘En?’
‘Weet ik niet, ik ben een eindje gaan lopen. Ik word doodziek van die straffen.’
We gingen op weg naar het huis.
Het was een wonder dat het niet instortte. Het stond midden op een open plek van aangestampte aarde, bezaaid met eikentakken. Diepe scheuren van de fundamenten tot het dak. Van de kozijnen waren alleen sporen over. Een grillige vijgenboom overschaduwde de trap naar het balkon. Zijn wortels hadden de stenen treden ontwricht en de balustrade ondergraven. Boven was nog een oude, blauw geverfde deur, door en door vermolmd en afgebladderd door de zon. In het midden bood een grote boog toegang tot een ruimte met een gewelfd plafond. Een stal. Verroeste muurijzers en houten balken stutten de zolder, die op talloze plekken was ingestort. Op de vloer lagen verdroogde mest, as, stapels tegels en brokken kalk. De muren waren het grootste deel van hun pleisterwerk kwijt en toonden de zonder mortel gestapelde stenen.
De Doodskop zat op een regenton. Hij gooide stenen naar een verroeste jerrycan en keek naar ons. ‘Je bent er.’ En hij voegde er voor de duidelijkheid aan toe: ‘Deze plek is van mij.’
‘Hoezo?’
‘Dit hier is van mij. Ik heb deze plek het eerst gezien. Wie iets het eerst vindt, mag het hebben.’
Ik kreeg een duw en kwam bijna met mijn gezicht op de grond terecht. Ik draaide me om.
Barbara, vuurrood, in een smerig T-shirt, haar haren in de war, wierp zich op me en wilde me te lijf gaan. ‘Zie je wel. Jij was de laatste. Jij hebt verloren!’
Ik balde mijn vuisten. ‘Ik ben teruggegaan. Anders was ik derde geweest. Dat weet je best.’
‘Nou en? Je hebt verloren!’
‘Wie krijgt de straf?’ vroeg ik aan de Doodskop. ‘Zij of ik?’
Hij nam alle tijd om te antwoorden, toen wees hij naar Barbara.
‘Zie je wel? Zie je wel?’ Ik kon de Doodskop wel zoenen.
Barbara begon te stampvoeten. ‘Dat is niet eerlijk! Dat is niet eerlijk! Altijd ik weer. Waarom moet hij mij altijd hebben?’
Dat wist ik niet. Maar ik wist wel dat er altijd een is die de klappen krijgt. Op dat moment was dat Barbara Mura, de dikzak, het lam dat de zonden wegneemt.
Ik vond het vervelend, maar was wel blij dat ik niet in haar schoenen stond.
Barbara liep stampend als een neushoorn om ons heen.
‘Laten we dan stemmen! Hij heeft het toch niet alleen voor het zeggen?’
Zelfs na tweeëntwintig jaar begrijp ik nog steeds niet hoe ze het met ons uithield. Waarschijnlijk uit angst om alleen te zijn.
‘Mij best. Laten we maar stemmen,’ gaf de Doodskop toe. ‘Ik stem voor jou.’
‘Ik ook,’ zei ik.
‘Ik ook,’ papegaaide Maria.
We keken naar Salvatore. Niemand mocht zich erbuiten houden als er werd gestemd. Dat was de regel.
‘Ik ook,’ kwam Salvatore, bijna fluisterend.
‘Zie je wel? Vijf tegen een. Je hebt verloren. Jij krijgt straf,’ besloot de Doodskop.
Barbara klemde haar lippen op elkaar en balde haar vuisten. Ik zag dat ze een soort tennisbal doorslikte. Ze boog haar hoofd maar huilde niet.
Ik bewonderde haar.
‘Wat... moet ik doen?’ stamelde ze.
De Doodskop streek langs zijn hals. Zijn smoezelige hersens werkten koortsig.
Even weifelde hij. ‘Je moet het... laten zien... Je moet het aan allemaal laten zien.’
Barbara wankelde even. ‘Wat moet ik jullie laten zien?’
‘Vorige keer heb je ons je tietjes laten zien.’ En tegen ons: ‘Nu laat ze ons haar spleetje zien. Haar behaarde spleetje. Je doet je onderbroek omlaag en je laat het zien.’ Hij begon te grijnzen en dacht dat wij dat ook zouden doen, maar dat was niet zo. We verkilden, alsof er plotseling een windvlaag van de noordpool door het kleine dal joeg.
Die straf was overdreven. Niemand van ons wilde Barbara’s spleetje graag zien. Het was voor ons ook een straf. Mijn maag trok samen. Ik wou dat ik heel ver weg was. Het had iets smerigs, iets... Ik weet niet, iets slechts, dat was het. En ik vond het naar dat mijn zusje erbij was.
‘Vergeet het maar,’ zei Barbara, haar hoofd schuddend. ‘Voor mijn part sla je me in elkaar.’
De Doodskop ging staan en liep naar haar toe, de handen in de zakken. Tussen zijn tanden een korenhalm.
Hij ging breeduit voor haar staan, rekte zijn hals. Niet dat hij zoveel groter was dan Barbara. En ook niet veel sterker. Ik had er mijn hand niet voor in het vuur durven steken dat de Doodskop makkelijk zou winnen als Barbara en hij elkaar te lijf gingen. Als ze hem op de grond gooide en boven op hem sprong kon ze hem best laten stikken.
‘Je hebt verloren. Nu doe je je broek naar beneden. Dan leer je die rotgeintjes van je wel af.’
‘Nee.’
De Doodskop gaf haar een klap in het gezicht.
Barbara trok haar mond open, als een forel, en wreef over haar wang. Ze huilde nog steeds niet en draaide zich naar ons om.
‘En jullie zeggen niks?’ jankte ze. ‘Jullie zijn net als hij!’
We hielden onze mond stijf dicht.
‘Goed dan. Maar jullie zien me nooit meer terug. Dat zweer ik bij het hoofd van mijn moeder.’
‘Wat nou, huil je?’ De Doodskop genoot mateloos.
‘Nee, ik huil niet,’ wist ze nog net zonder snikken uit te brengen.
Ze droeg een lange broek van groen katoen, met bruine knielappen, zoals ze op tweedehandsmarkten worden verkocht. Hij zat strak en het vet puilde boven haar ceintuur uit. Ze maakte de gesp los en begon toen aan de knopen.
Ik kon haar witte onderbroek met gele bloemetjes al zien. ‘Wacht! Ik was de laatste,’ hoorde ik mijn eigen stem zeggen.
Ze draaiden zich allemaal om.
‘Ja.’ Ik verslikte me bijna. ‘Ik doe het wel.’
‘Wat?’ vroeg Remo.
‘De straf.’
‘Nee, zij heeft verloren!’ beet de Doodskop me toe. ‘Het gaat jou niks aan. Hou je kop.’
‘Wel waar, het gaat mij wel aan, ik was de laatste. Ik moet straf krijgen.’
‘Nee. Dat maak ik wel uit.’ De Doodskop kwam op me af.
Ik stond te trillen op mijn benen, maar ik hoopte dat niemand dat doorhad. ‘We stemmen opnieuw.’
Salvatore ging tussen mij en de Doodskop in staan. ‘We kunnen het overdoen.’
Er golden vaste regels tussen ons en een daarvan luidde dat je een stemming over kon doen.
Ik stak mijn hand op. ‘Ik heb verloren.’
Salvatore stak zijn hand op. ‘Michele heeft verloren.’
Barbara maakte haar ceintuur weer vast en snikte: ‘Hij heeft verloren. Eerlijk waar.’
De Doodskop was totaal overrompeld en keek Remo met een gevaarlijke blik aan. ‘En jij?’
Remo haalde diep adem. ‘Barbara heeft verloren.’
‘Wat moet ik doen?’ vroeg Maria.
Ik knikte van ja.
‘Mijn broertje.’
En Salvatore zei: ‘Vier tegen twee. Michele heeft gewonnen. Hij krijgt de straf.’
==
Het was niet makkelijk om op de bovenverdieping van het huis te komen.
De trap was verdwenen. Van de treden was niet veel meer over dan een hoop stenen. Het lukte me om via de takken van de vijgenboom omhoog te klauteren. De braamstruiken schramden mijn armen en benen. Mijn rechterwang had ik opengehaald aan een doorn.
Over de balustrade lopen kon ik wel vergeten. Als die instortte kwam ik in een woestenij van brandnetels en wilde rozen terecht.
Het was de straf die ik mezelf op de hals had gehaald door de held uit te hangen.
‘Je moet naar de bovenverdieping klimmen en naar binnen gaan, dan door het hele huis heen lopen en uit het raam aan de achterkant in de boom springen en omlaag komen.’
Ik was bang geweest dat de Doodskop me zou hebben gedwongen om mijn piemel te laten zien of een stok in mijn gat te steken, maar in plaats daarvan had hij iets gevaarlijks bedacht, waarbij ik me hoogstens pijn kon doen.
Blij toe.
Ik klemde mijn tanden op elkaar en ging zonder klagen verder. De anderen zaten onder een eik te genieten van het schouwspel van Michele Amitrano die zich te pletter viel.
Zo nu en dan kreeg ik een advies: ‘Daar moet je langs.’ ‘Rechtdoor. Het zit daar vol dorens.’ ‘Eet maar een braam, dan gaat het wel beter.’
Ik luisterde niet.
Ik stond op het balkon. Er was een smalle ruimte tussen de braamstruiken en de muur. Ik wurmde me ertussendoor en kwam bij de deur. Die was met een ketting afgesloten, maar het door roest aangevreten hangslot was open. Ik duwde tegen een deurhelft en die gaf met metaalachtig geknars mee.
Een wolk van fladderende vleugels. Een zwerm duiven die opvlogen en door een gat in het dak verdwenen.
‘Wat zie je? Hoe is het daar?’ hoorde ik de Doodskop vragen.
Ik nam niet de moeite hem te antwoorden maar ging naar binnen, goed oplettend waar ik mijn voeten neerzette.
Ik stond in een groot vertrek. Een heleboel dakpannen waren naar beneden gevallen en in het midden hing een van de steunbalken omlaag. In een hoek was een haard met een piramidevormige schouw, zwart van de rook. In een andere hoek waren meubels opgestapeld. Een oude keuken, waarin alles omver lag en verroest was. Flessen. Scherven. Dakpannen. Een kapotte spiraal. Alles zat vol duivenpoep. Er hing een sterke lucht, een zurige stank die tot achter in je neus en je keel doordrong. Op de granieten vloer groeide een hele wildernis aan gras en onkruid. Achter in het vertrek was een dichte, roodgeverfde deur, die natuurlijk toegang gaf tot de andere kamers van het huis.
Daar moest ik doorheen.
Ik zette een voet vooruit, de planken kraakten onder mijn schoenen en de hele vloer golfde. In die tijd woog ik rond de vijfendertig kilo, ongeveer evenveel als een watertank. Ik vroeg me af of een watertank die midden in die kamer werd neergezet door de vloer zou zakken. Dat kon je beter niet proberen.
Om bij de volgende deur te komen was het verstandiger vlak langs de muren te lopen. Met ingehouden adem en op mijn tenen, als een balletdanseres, volgde ik de omtrek van het vertrek. Als de vloer het begaf, kwam ik in de stal terecht, na een val van minstens vier meter. Genoeg om al mijn botten te breken.
Maar dat gebeurde niet.
In de volgende kamer, ongeveer even groot als de keuken, was helemaal geen vloer meer. Aan de zijkanten was hij ingestort en er was alleen nog een soort brug tussen mijn deur en die aan de overkant. Van de zes balken die de vloer steunden, waren alleen de twee middelste nog heel. De anderen waren door houtworm aangevreten boomstammen.
Langs de muren ging niet. Ik moest wel over die brug. De balken die hem nog op zijn plaats hielden waren er vast niet veel beter aan toe dan de andere.
Ik bleef als verlamd in de deuropening staan. Ik kon niet terug. Ze zouden er tot mijn dood over doorzeuren. En als ik me eens liet vallen? Opeens leek die vier meter tussen mij en de stalvloer niet zoveel meer. Ik kon tegen de anderen zeggen dat het onmogelijk was om bij het raam te komen.
Op sommige ogenblikken haalt ons brein rare streken met ons uit.
Zo’n tien jaar later ging ik op zekere dag op de Gran Sasso skiën. Het was geen geschikte dag, het sneeuwde, het was ijzig koud, er stond een gure wind waardoor je oren bevroren, en het mistte. Ik was negentien en had pas één keer geskied. Ik was opgetogen en trok me er niets van aan dat iedereen zei dat het gevaarlijk was, ik wilde gewoon skiën. Ik ben in de skilift geklommen, ingepakt als een eskimo, en op weg gegaan naar de piste.
Het waaide zo hard dat de motor van de installatie automatisch stopte en pas weer op gang kwam als de wind afnam. Hij deed het tien meter en bleef toen een kwartier hangen, vervolgens weer veertig meter vooruit en twintig minuten niks. En zo ging dat maar door. Om gek van te worden. Voorzover ik kon zien was de skilift verder leeg. Heel langzaam raakte ik het gevoel in mijn tenen, mijn oren en mijn vingers kwijt. Ik probeerde de sneeuw van me af te schudden, maar dat was vergeefse moeite, geluidloos en licht viel hij neer, onophoudelijk. Op een gegeven moment werd ik slaperig, werkten mijn hersens trager. Ik verzamelde mijn laatste krachten en zei tegen mezelf dat ik zou sterven als ik in slaap viel. Ik schreeuwde, riep om hulp. Alleen de wind gaf antwoord. Ik keek naar omlaag. Ik hing recht boven een piste. Zo’n tien meter boven de sneeuw. Ik dacht terug aan dat verhaal over die vliegenier die in de oorlog uit zijn brandende vliegtuig was gesprongen. Zijn parachute was niet opengegaan maar hij was niet gestorven, want de zachte sneeuw had hem gered. Tien meter was niet echt veel. Als ik me op de goede manier liet vallen, me niet stijf hield, zou me niets overkomen, die parachutist was ook niets overkomen. Een deel van mijn hersenen herhaalde onophoudelijk: ‘Spring! Spring! Spring!’ Ik deed de veiligheidsstang omhoog en begon naar voren en naar achteren te zwaaien. Gelukkig zette de stoeltjeslift zich op dat moment weer in beweging en kwam ik tot mezelf. Ik deed de stang weer omlaag. Het was vreselijk hoog. Ik had minstens mijn benen gebroken.
Daar in dat huis overkwam me hetzelfde. Ik wilde springen. Toen herinnerde ik me dat ik in een boek van Salvatore had gelezen dat hagedissen tegen muren op kunnen klimmen omdat ze hun gewicht perfect verdelen. Ze verdelen het over hun poten, hun buik en hun staart, maar mensen alleen over hun voeten, en daarom zakken die weg in drijfzand.
Dat moest ik dus doen.
Ik zakte door mijn knieën, ging plat liggen en begon te schuiven. Bij elke beweging die ik maakte, vielen er stukken kalk en plavuizen omlaag. Licht, zo licht als een hagedis, zei ik telkens weer tegen mezelf. Ik voelde de balken trillen. Het kostte me ruim vijf minuten, maar ik kwam veilig en wel aan de overkant.
Ik duwde de deur open. Het was de laatste. Achterin was het raam dat op de binnenplaats uitkeek. Een lange tak groeide tot dicht bij het huis. Het was gelukt. Ook hier was de vloer bezweken, maar alleen voor de helft. De andere helft hield nog stand. Ik gebruikte de bekende techniek. Langs de muren, ertegenaan gedrukt. Beneden zag ik een halfdonkere kamer. De resten van een vuur, open blikken gepelde tomaten en lege pastaverpakkingen. Er moest daar nog niet zo lang geleden iemand zijn geweest.
Zonder verdere hindernissen kwam ik bij het raam. Daar keek ik naar beneden.
Een kleine binnenplaats, omgeven door dichte braamstruiken, en daarachter het bos, dat steeds verder opdrong. Op de grond lag een gebarsten betonnen gootsteen, een verroeste arm van een hijskraan, bergen met klimop overwoekerd puin, een gasfles en een matras.
De tak waar ik op moest springen was dichtbij, minder dan een meter ver. Maar niet dicht genoeg om erop te komen zonder te springen. Hij was zo dik en kronkelig als een anaconda, en meer dan vijf meter lang. Hij zou me wel houden. Als ik aan het eind was vond ik vast een manier om naar beneden te komen. Ik ging op de vensterbank staan, sloeg een kruis en zette af, met mijn armen naar voren, als een gibbon in het Amazonewoud. Ik kwam met mijn buik op de tak terecht en probeerde mijn armen er omheen te slaan, maar hij was vreselijk dik. Ik gebruikte mijn benen, maar die vonden nergens steun. Langzaam gleed ik weg en probeerde me aan de schors vast te klampen.
Mijn redding was binnen handbereik. Op enkele tientallen centimeters afstand zat een iets kleinere tak.
Ik verzamelde al mijn kracht en na een flinke ruk voorwaarts greep ik hem met allebei mijn handen.
Die tak was dood en brak af.
Ik kwam op mijn rug terecht. Zo bleef ik doodstil liggen, met mijn ogen dicht, ervan overtuigd dat ik mijn nek had gebroken. Ik voelde geen pijn. Ik lag languit, versteend, met de tak in mijn handen, en probeerde te begrijpen waarom ik geen pijn voelde. Misschien was ik nu zo’n lamme die zelfs niets voelt als je een sigaret op zijn arm uitdrukt of een vork in zijn bovenbeen steekt.
Ik deed mijn ogen open en tuurde naar de enorme groene parasol van de eik die over me heen boog. Naar het schitteren van de zon door de bladeren. Ik moest proberen mijn hoofd op te tillen. Dat lukte.
Die stomme tak gooide ik weg. Met mijn handen tastte ik de grond af. En ontdekte dat ik op iets zachts lag. De matras.
Ik zag weer voor me hoe ik viel, door de lucht suisde en neerkwam zonder me pijn te doen. Precies op het moment dat ik was neergekomen, had er een zacht, gedempt geluid geklonken. Dat had ik gehoord, daar kon ik op zweren.
Ik bewoog mijn voeten en ontdekte onder de bladeren en takken en aarde een groene golfplaat, een stuk dakbedekking van doorschijnend plastic. Het was bedekt, alsof het verborgen moest blijven. En die oude matras was eroverheen gelegd.
Dat plastic had me dus gered. Het had meegegeven en zo mijn val gebroken.
Daaronder moest dus een ruimte zijn.
Dat kon een geheime schuilplaats zijn, of een onderaardse gang die naar een grot vol goud en edelstenen leidde.
Ik ging op mijn knieën zitten en begon tegen de golfplaat te duwen.
Hij was zwaar, maar stukje bij beetje kreeg ik hem opzij. Er steeg een vreselijke strontlucht op.
Ik wankelde, hield mijn hand voor mijn mond en duwde nog eens.
Ik was op een hol terechtgekomen.
Het was donker. Maar hoe verder ik de golfplaat wegduwde, hoe lichter het werd. De wanden waren van aarde, met een schop uitgegraven. De wortels van de eik waren afgehakt.
Ik kreeg de golfplaat nog iets verder weg. Het hol was een paar meter breed en twee, tweeënhalve meter diep.
Het was leeg.
Nee, er lag toch iets.
Een stapel opgerolde vodden?
Nee...
Een beest? Een hond? Nee...
Wat dan?
Het was onbehaard...
Wit...
Een been...
Een been!
Ik maakte een sprong naar achteren en viel bijna.
Een been?
Ik verzamelde al mijn moed en keek even over de rand.
Het was een been.
Ik voelde mijn oren gloeien, mijn hoofd en mijn armen leken loodzwaar.
Mijn hart stond bijna stil.
Ik ging zitten, deed mijn ogen dicht, legde een hand op mijn voorhoofd en haalde diep adem. Het liefst was ik ervandoor gegaan, naar de anderen gerend. Maar dat ging niet. Eerst moest ik nog een keer kijken.
Ik kroop wat dichterbij en stak mijn hoofd naar voren.
Het was een jongensbeen. En er stak een elleboog uit de lappen.
Onder in dat hol lag een jongen.
Hij lag op zijn zij, met zijn hoofd tussen zijn benen.
Hij bewoog niet.
Hij was dood.
Ik bleef maar kijken, ik weet niet hoe lang. Er stond ook een emmer. En een pannetje.
Misschien sliep hij.
Ik pakte een steentje en gooide het naar hem. Het kwam op zijn bovenbeen terecht. Hij bewoog niet. Hij was dood. Morsdood. Mijn nekharen stonden overeind. Ik pakte nog een steentje en raakte zijn hals. Even dacht ik dat hij bewoog. Een lichte beweging van zijn arm.
‘Waar zit je? Waar zit je nou? Waar heb je je verstopt, mietje?’
De anderen! De Doodskop liep me te roepen.
Ik pakte de golfplaat en trok net zo lang tot het gat weer bedekt was. Toen strooide ik er opnieuw bladeren en aarde over en legde ik de matras terug.
‘Michele, waar zit je?’
Ik liep weg, maar eerst draaide ik me nog een paar keer om, om te controleren of alles op zijn plaats lag.
==
Ik trapte voort op mijn Scassona.
De zon, achter me, was een reusachtige rode bol, en toen hij eindelijk in het graan verdween liet hij een feloranje en paarse gloed achter.
Ze hadden gevraagd hoe het in het huis was gegaan, of het gevaarlijk was geweest, of ik was gevallen, of er vreemde dingen waren, of het moeilijk was geweest om op die boom te springen. Ik heb nauwelijks geantwoord.
Toen iedereen er ten slotte genoeg van had, begonnen we aan de terugweg. Er liep een pad het dal uit, dwars door de okergele velden naar de weg. We hadden de fietsen opgehaald en trapten in stilte voort. Om ons heen gonsden zwermen fruitvliegjes.
Ik keek naar Maria, die op haar Graziella achter me aan reed terwijl haar banden weggleden op de stenen, ik keek naar de Doodskop, helemaal vooraan, met Remo, zijn schildknaap, naast zich, naar Salvatore, die zigzaggend vooruitkwam, en naar Barbara op haar veel te grote Bianchi, en ik dacht aan de jongen in de kuil.
Ik had tegen niemand iets gezegd.
‘Wie iets het eerste vindt, mag het hebben,’ had de Doodskop beslist.
Als dat klopte, was die jongen in het hol van mij.
Als ik het vertelde, zou de Doodskop, zoals altijd, zeggen dat de ontdekking aan hem te danken was. Dan zou hij aan iedereen vertellen dat hij die jongen had gevonden, omdat hij degene was die had besloten om de heuvel op te klimmen.
Maar deze keer niet. Ik had verloren, ik was uit de boom gevallen en ik had hem gevonden.
Hij was niet van de Doodskop. En ook niet van Barbara. En ook niet van Salvatore. Hij was van mij. Hij was mijn geheime ontdekking.
Ik wist niet of ik een dode of een levende had gevonden. Misschien had die arm niet bewogen, had ik het me maar verbeeld. Of misschien waren het de laatste stuipen van een lijk. Zoals bij wespen, die zelfs als je ze met een schaar doorknipt nog blijven lopen, of zoals kippen, die ook zonder kop nog met hun vleugels slaan. Maar wat deed hij daar?
‘Wat zeggen we tegen mama?’
‘Weet ik niet.’
‘Zeg jij het van mijn bril?’
‘Ja, maar je moet niet vertellen waar we zijn geweest. Als ze dat te weten komt, zegt ze natuurlijk dat je je bril hebt gebroken omdat we daar naar boven zijn geklommen.’
‘Best.’
‘Zweer het.’
‘Ik zweer het.’ Ze kuste haar vingertoppen.
==
Tegenwoordig hoort Acqua Traverse bij Lucignano. Halverwege de jaren tachtig heeft een aannemer twee lange rijen huisjes van gewapend beton gebouwd. Kubussen met ronde ramen, blauwe hekjes en betonijzers die nog uit het dak staken. Toen kwam er een Coöp en een bar annex sigarenwinkel. En een geasfalteerde tweebaansweg, die rechttoe rechtaan als een landingsbaan tot aan Lucignano doorloopt.
Maar in 1978 was Acqua Traverse zo klein dat het niets was. Een landelijk dorp zouden ze het tegenwoordig in een reisgids noemen.
Niemand wist waarom het zo heette, zelfs de oude Tronca niet. Water was er niet, behalve dat wat om de twee weken door de tankwagen werd aangevoerd.
Je had de villa van Salvatore, die ze het palazzo noemden. Een groot huis, in de negentiende eeuw gebouwd, breed en grijs, met een groot hardstenen portiek en een binnenplaats met een palmboom. En dan waren er nog vier andere huizen. Niet bij wijze van spreken. Vier huizen, meer niet. Vier armzalige huizen van stenen en mortel, met dakpannen en kleine raampjes. Dat van ons. Dat van de familie van de Doodskop. Dat van de familie van Remo, die het deelde met de oude Tronca. Tronca was doof en zijn vrouw was dood, hij bewoonde de twee kamers die uitkeken op de moestuin. En dan het huis van Pietro Mura, de vader van Barbara. Angela, zijn vrouw, had beneden een kruidenierswinkeltje waar je brood, pasta en zeep kon kopen. En je kon er opbellen.
Twee huizen aan deze kant, twee aan de overkant. En daartussen een onverharde weg vol kuilen. Er was geen plein. Er waren geen zijstraten. Maar er stonden wel twee banken onder een met druiven begroeide pergola en er was een pomp waarvan de kraan een sleutel had, om geen water te verspillen. Overal om ons heen akkers met graan.
Het enige waar die door God en de mensen vergeten plek op kon bogen, was een fraai blauw bord waarop met grote letters acqua traverse stond.
==
‘Papa is er!’ schreeuwde mijn zusje. Ze gooide haar fiets neer en rende de trap op.
Zijn vrachtwagen stond voor ons huis, een Fiat Lupetto, met een groen dekzeil.
Papa was indertijd vrachtwagenchauffeur en bleef altijd wekenlang weg. Hij haalde vrachten op en bracht die naar het Noorden.
Hij had beloofd dat hij mij ook een keer zou meenemen naar het Noorden. Ik kon me dat Noorden niet erg goed voorstellen. Ik wist dat het Noorden rijk was en het Zuiden arm. Wij waren arm. Mama zei dat wij, als papa zo hard bleef werken, binnenkort niet meer arm zouden zijn maar geld genoeg zouden hebben. Dus moesten we niet zeuren als papa er niet was. Hij deed het voor ons.
Buiten adem kwam ik binnen.
Papa zat in zijn onderbroek en zijn hemd aan tafel. Voor hem stond een fles rode wijn en tussen zijn lippen bungelde een filtersigaret en mijn zusje zat al op zijn knie. Mama stond te koken, met haar rug naar ons toe. Het rook naar uien en tomatensaus. De televisie, een enorme zwart-wit Grundig, die papa een paar maanden eerder had meegebracht, stond aan. De ventilator zoemde.
‘Michele, waar hebben jullie de hele dag gezeten? Je moeder wist zich gewoon geen raad. Denken jullie er nou nooit aan dat dat arme mens al op haar man moet wachten en niet ook nog eens op jullie kan wachten? Wat is er met de bril van je zusje gebeurd?’
Hij was niet echt kwaad. Als hij echt kwaad was puilden zijn ogen uit, net als bij een pad. Hij was blij dat hij weer thuis was. Mijn zusje keek naar mij.
‘We hebben bij de beek een hut gebouwd.’ Ik haalde haar bril uit mijn zak. ‘Hij is gebroken.’
Papa blies een wolk rook uit. ‘Kom hier, laat eens zien.’
Papa was een kleine, magere, nerveuze man. Als hij aan het stuur van de vrachtwagen zat, verdween hij er bijna achter. Hij had zwart haar, strak naar achteren gekamd, met brillantine. Zijn baard was stug en op zijn kin al grijs. Hij rook naar sigaretten en eau de cologne.
Ik gaf hem de bril.
‘Die kun je net zo goed weggooien.’ Hij legde hem op tafel en zei: ‘Dan maar geen bril meer.’
Mijn zusje en ik keken elkaar aan.
‘Wat moet ik dan?’ vroeg Maria ongerust.
‘Doe maar zonder. Dan leer je het wel af.’
Mijn zusje was sprakeloos.
‘Dat kan niet. Dan ziet ze niks,’ kwam ik tussenbeide.
‘Wat maakt dat nou uit.’
‘Maar...’
‘Niks te maren.’ En tegen mama: ‘Teresa, geef me dat pakje op het dressoir eens aan.’
Mama gaf het hem. Papa pakte het uit en haalde er een stevig, blauwfluwelen etui uit.
‘Pak aan.’
Maria maakte het open en er zat een bril met een bruin plastic montuur in.
‘Probeer maar.’
Maria zette hem op, maar bleef over het etui aaien.
Mama vroeg: ‘Vind je hem mooi?’
‘Ja, prachtig. Dat doosje is hartstikke mooi.’ Ze ging zichzelf in de spiegel bekijken.
Papa schonk nog een glas wijn voor zichzelf in.
‘Als je deze ook breekt, kun je het de volgende keer wel vergeten, begrepen?’ Toen pakte hij mij bij een arm. ‘Laat je spierballen eens voelen.’
Ik boog mijn arm zodat ze hard werden.
Hij kneep erin. ‘Volgens mij ben je niet vooruitgegaan. Doe je je oefeningen wel?’
‘Ja.’
Ik haatte die oefeningen. Papa wilde dat ik ze deed, omdat ik volgens hem de Engelse ziekte had.
‘Nietwaar,’ zei Maria, ‘je doet ze nooit.’
‘Soms doe ik ze. Bijna altijd.’
‘Kom eens hier.’ Ik ging ook op zijn knieën zitten en probeerde hem een zoen te geven. ‘Niet zoenen, je bent helemaal vies. Als je je vader een zoen wilt geven moet je je eerst wassen. Teresa, wat doen we, sturen we ze zonder eten naar bed?’
Papa had een mooie lach, met volmaakt witte tanden. Die heb ik niet van hem geërfd, en mijn zusje evenmin.
Mama antwoordde zonder dat ze zich zelfs maar omdraaide.
‘Lijkt me niet gek! Ik weet niet meer wat ik met die twee aan moet.’ Zij was wel woedend.
‘Laten we het zo doen. Als ze eten willen, en het cadeautje dat ik heb meegebracht, moet Michele me verslaan met armpje drukken. Anders zonder eten naar bed.’
Hij had een cadeautje meegebracht!
‘Maak jij maar grapjes...’ Mama was veel te blij dat papa weer thuis was. Als papa wegging, had ze pijn in haar maag, en hoe langer het duurde hoe minder ze zei. Na een maand viel ze helemaal stil.
‘Michele kan je niet verslaan. Dat telt niet,’ zei Maria.
‘Michele, laat je zusje eens zien wat je kan. En hou je benen gespreid. Als je krom zit verlies je meteen en dan kun je naar je cadeautje fluiten.’
Ik nam de juiste houding aan, klemde mijn tanden op elkaar, greep papa’s hand stevig vast en begon te duwen. Niks. Hij bewoog niet.
‘Kom op! Zit daar pudding in plaats van spieren? Je bent nog zwakker dan een fruitvliegje. Laat eens zien hoe sterk je bent, jezus christus!’
Ik fluisterde: ‘Het gaat niet.’
Het was alsof ik een ijzeren staaf moest buigen.
‘Je bent net een meisje, Michele. Maria, help hem eens, kom op!’
Mijn zusje klom op de tafel en samen, met onze tanden op elkaar en hevig snuivend, lukte het ons zijn arm omlaag te krijgen.
‘Het cadeautje! Geef ons het cadeautje!’ Maria sprong van de tafel. Papa pakte een kartonnen doos vol proppen krantenpapier. Daar zat het cadeautje in.
‘Een schip!’ zei ik.
‘Dat is geen schip maar een gondel,’ legde papa uit.
‘Wat is een gondel?’
‘Gondels zijn Venetiaanse schepen. En ze hebben maar één roeispaan.’
‘Wat zijn roeispanen?’ vroeg mijn zusje.
‘Stokken om het schip vooruit te krijgen.’
Hij was heel mooi. Helemaal van zwart plastic, met verzilverde sierrandjes en achterop een pop met een rood-wit gestreept T-shirt en een strohoed op. Maar we begrepen al gauw dat we hem niet mochten vasthouden. Hij was om op de televisie te zetten. En op de televisie, onder de gondel, moest een wit kanten kleedje liggen. Als een soort meertje. Het was geen speelgoed. Het was iets kostbaars. Voor het mooi.
‘Wie is er aan de beurt om water te halen? We gaan zo eten,’ vroeg mama.
Papa zat voor de tv naar het nieuws te kijken. Ik was de tafel aan het dekken. ‘Maria. Gisteren ben ik gegaan.’
Maria zat met haar poppen in de fauteuil. ‘Ik heb geen zin, ga jij maar.’
We hadden er allebei een hekel aan om naar de pomp te gaan, dus deden we het om beurten, om de dag. Maar papa was weer thuis, wat voor mijn zusje betekende dat de regels niet meer golden.
Ik deed nee! met mijn vinger. ‘Jouw beurt.’
Maria sloeg haar armen over elkaar. ‘Ik ga niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb hoofdpijn.’
Altijd als ze geen zin had om iets te doen zei ze dat ze hoofdpijn had. Haar meest geliefde smoesje.
‘Nietwaar, je hebt nergens last van, leugenaarster.’
‘Wel waar!’ En ze begon met een gepijnigde uitdrukking op haar gezicht over haar voorhoofd te wrijven.
Ik had veel zin om haar te kelen. ‘Zij is aan de beurt! Zij moet gaan!’
Mama was het zat en duwde me de kan in mijn handen. ‘Ga jij maar, Michele, jij bent de oudste. Maak niet zo’n drukte,’ zei ze, alsof het niets was, alsof het niets uitmaakte.
Om de lippen van mijn zusje verscheen een brede grijns. ‘Zie je nou wel?’
‘Het is niet eerlijk. Ik ben gisteren al gegaan. Ik ga niet.’
Op de bijtende toon die ze altijd aansloeg voordat ze woedend uitviel, zei mama: ‘Doe wat er gezegd wordt, Michele.’
‘Nee.’ Ik ging naar papa om te klagen. ‘Papa, ik ben niet aan de beurt, ik ben gisteren gegaan.’
Hij maakte zijn ogen los van de televisie en keek me aan alsof hij me voor het eerst zag. Hij wreef over zijn kin: ‘Weet je hoe strootje trekken gaat?’
‘Nee, hoe dan?’
‘Weet je wat soldaten in de oorlog deden om te bepalen wie een levensgevaarlijke opdracht moest uitvoeren?’ Hij haalde een doosje lucifers uit zijn zak en liet ze me zien.
‘Nee, weet ik niet.’
‘Je neemt drie lucifers,’ hij haalde ze uit het doosje, ‘een voor jou, een voor mij en een voor Maria. Van een breek je de kop af.’ Hij pakte er een en brak hem, daarna klemde hij ze alle drie in zijn vuist en liet hij de stokjes eruit steken. ‘Wie de lucifer zonder kop trekt gaat water halen. Kies er maar een, vooruit.’
Ik trok een hele en maakte een sprongetje van blijdschap.
‘Maria, nu jij. Kom hier.’
Mijn zusje trok ook een hele en klapte in haar handen.
‘Dan ben ik de klos.’ Papa trok de afgebroken lucifer.
Maria en ik begonnen te lachen en riepen: ‘Jij bent! Jij bent! Jij hebt verloren! Jij hebt verloren! Ga jij maar water halen!’
Enigszins bedremmeld stond papa op. ‘Als ik terug ben, zijn jullie gewassen. Duidelijk?’
‘Wil je dat ik ga? Je bent moe,’ zei mama.
‘Dat kun jij niet. Het is een levensgevaarlijke opdracht. En ik moet sigaretten uit de vrachtwagen halen.’ Hij liep het huis uit, met de kan in zijn handen.
We wasten ons, aten pasta met tomaat en omelet en daarna gaven we papa en mama een zoen en gingen naar bed, zelfs zonder te zeuren of we televisie mochten kijken.
==
Midden in de nacht werd ik wakker. Door een akelige droom.
Jezus zei tegen Lazarus: sta op en wandel. Maar Lazarus stond niet op. Sta op en wandel, herhaalde Jezus. Lazarus had eigenlijk helemaal geen zin om te verrijzen. Jezus, die op Severino leek, de bestuurder van de tankauto met water, werd kwaad. Het was een rare vertoning. Als Jezus tegen je zegt: sta op en wandel, dan moet je dat doen, zeker als je dood bent. Maar Lazarus bleef languit liggen, helemaal verschrompeld. Toen begon Jezus hem heen en weer te schudden, als een pop, en eindelijk stond Lazarus op en toen zette hij zijn tanden in Jezus’ keel. Laat de doden met rust, zei hij, met lippen die dropen van het bloed.
Ik sperde mijn ogen wijd open, nat van het zweet.
Die nachten was het zo warm dat het, als je per ongeluk wakker werd, niet meeviel om weer in slaap te komen. De kamer van mij en mijn zusje was smal en langwerpig. Het was een stuk van de gang. De twee bedden waren in de lengte neergezet, achter elkaar, onder het raam. Aan de ene kant was de muur, aan de andere zo’n dertig centimeter ruimte om je te bewegen. Verder was die kamer wit en kaal.
’s Winters was het er koud en ’s zomers stikheet.
De warmte die overdag door de muren en het plafond werd opgenomen, kwam ’s nachts vrij. Ik had het gevoel dat mijn kussen en mijn wollen matras regelrecht uit de oven kwamen.
Achter mijn voeten zag ik het donkere hoofdje van Maria. Ze sliep met haar bril op, op haar rug, volkomen ontspannen, armen en benen gespreid.
Ze zei altijd dat ze bang was als ze zonder bril wakker werd. Meestal haalde mama hem weg zodra ze sliep, omdat hij anders afdrukken op haar gezicht achterliet.
De muggenverdelger op de vensterbank produceerde een dikke, giftige walm waar de muggen van doodgingen en die voor ons ook niet erg gezond was. Maar in die tijd maakte niemand zich druk om dat soort dingen.
Naast onze slaapkamer lag die van onze ouders. Ik hoorde het gesnurk van papa. Het gezoem van de ventilator. Het benauwde ademen van mijn zusje. De monotone roep van een uil. Ik rook de rioollucht die uit de wc kwam.
Ik ging op mijn knieën op bed zitten en leunde uit het raam om een beetje lucht te krijgen. Het was volle maan. De maan stond hoog en scheen helder. Je kon heel ver kijken, alsof het dag was. Het leek wel of de akkers licht gaven. Geen zuchtje wind. De huizen waren donker en stil.
Misschien was ik de enige in heel Acqua Traverse die wakker was. Dat vond ik prachtig.
Die jongen zat in dat hol. Ik stelde me voor hoe hij daar dood op de grond lag. Kakkerlakken, luizen en duizendpoten die over hem heen krioelden, over zijn bloedeloze huid, en wormen die uit zijn blauwige lippen kropen. Zijn ogen zagen eruit als twee hardgekookte eieren.
Ik had nog nooit een dode gezien. Alleen oma Giovanna. Op haar bed, met haar armen gekruist, in een zwarte jurk en met zwarte schoenen aan. Haar gezicht leek wel van rubber. Zo geel als was. Papa had tegen me gezegd dat ik haar moest zoenen. Iedereen had gehuild. Papa had me naar voren geduwd. Ik had mijn lippen op haar koude wang gedrukt. Om haar heen hing een akelige, weeë lucht, die zich vermengde met de geur van de kaarsen. Na afloop had ik mijn mond met zeep gewassen.
Maar als die jongen nou nog leefde?
Als hij er nou eens uit wilde en met zijn vingers over de wanden van het hol krabde en om hulp riep? Als hij nou eens door een monster was gepakt?
Ik keek naar buiten en zag de heuvel aan het eind van de vlakte. Hij scheen uit het niets op te doemen en stak omhoog zoals een eiland uit de zee oprijst, heel hoog en zwart, met zijn geheim dat op mij wachtte.
‘Michele, ik heb dorst...’ Maria was wakker geworden. ‘Wil je me een glaasje water geven?’ Ze praatte met haar ogen dicht en ging met haar tong over haar droge lippen.
‘Wacht even...’ Ik ging staan.
Ik durfde de deur niet open te doen. Als oma Giovanna nu eens aan tafel zat, met die jongen? En als ze dan tegen me zei: kom hier, ga zitten, wat eten we? En als die gespietste kip dan op de schaal lag?
==
Er was niemand. Een straaltje maanlicht viel op de oude gebloemde bank, op het dressoir met de witte borden, op de vloer van zwart-wit graniet, kroop stiekem de slaapkamer van papa en mama in en klauterde het bed op. Ik zag hun met elkaar verstrengelde voeten. Toen deed ik de koelkast open en haalde er een kan met koud water uit. Ik hield hem even tegen me aan en schonk een glas voor mijn zusje vol, die het in één teug leegdronk. ‘Bedankt.’
‘En nu slapen.’
‘Waarom heb jij de straf gedaan in plaats van Barbara?’
‘Weet ik niet...’
‘Vond je het niet leuk dat ze haar broek omlaag deed?’
‘Nee.’
‘En als ik het had moeten doen?’
‘Wat?’
‘Mijn broek omlaag. Zou je dat ook voor mij doen?’
‘Ja.’
‘Welterusten. Ik zet mijn bril af.’ Ze deed hem in het etui en klemde het kussen tegen zich aan.
‘Welterusten.’
Ik bleef nog een hele tijd met mijn ogen op het plafond gericht liggen voordat ik weer in slaap viel.
Papa ging niet meer weg.
Hij was teruggekomen om te blijven. Hij had tegen mama gezegd dat hij de snelweg voorlopig niet meer wilde zien en dat hij zich met ons zou bemoeien.
Misschien zou hij ons op een keer meenemen om in zee te gaan zwemmen.
2
Toen ik wakker werd sliepen mama en papa nog. Ik slokte wat melk en brood met marmelade naar binnen, ging het huis uit en pakte mijn fiets.
‘Waar ga je heen?’ Maria stond in haar onderbroek op de trap en keek naar me.
‘Een eindje rijden.’
‘Waarheen?’
‘Weet ik niet.’
‘Ik wil mee.’
‘Nee.’
‘Ik weet best waar je heen gaat... Je gaat de berg op.’
‘Nee. Daar ga ik niet heen. Als papa en mama het vragen zeg je maar dat ik een rondje maak en zo terug ben.’
==
Alweer zo’n bloedhete dag.
Om acht uur ’s morgens stond de zon nog laag, maar hij begon de vlakte al te verschroeien. Ik nam dezelfde weg die we de vorige middag hadden genomen en dacht nergens aan, fietste door wolken stof en insecten en probeerde er snel te zijn. Ik nam de weg door de velden, die onder langs de heuvel liep en in het dal uitkwam. Zo nu en dan vlogen eksters met zwart-witte staarten uit het graan op. Ze zaten achter elkaar aan, maakten ruzie en scholden elkaar met hun schelle gekras uit. Een valk cirkelde roerloos rond, gedragen door warme luchtstromen. Ik zag zelfs een rode haas met zijn lange oren voor me wegschieten. Ik kwam maar met moeite vooruit, ging op de trappers staan, mijn wielen gleden weg over stenen en bonken droge aarde. Hoe dichter ik bij het huis kwam hoe hoger de heuvel voor me werd, en hoe zwaarder de steen die op mijn maag lag en me de adem benam.
En als ik boven aankwam en er waren heksen en een reus?
Ik wist dat heksen ’s nachts in verlaten huizen bij elkaar kwamen en feest vierden, en als je meedeed werd je gek. En dat reuzen kinderen opaten.
Ik moest uitkijken. Als zo’n reus me te pakken kreeg, zou hij me ook in een hol stoppen en stukje bij beetje opeten. Eerst een arm, dan een been, en zo verder. En niemand zou er iets van weten. Mijn ouders zouden vreselijk huilen. En iedereen maar zeggen: ‘Michele was zo lief, wat erg nou!’ Mijn ooms en tantes zouden komen, en mijn nichtje Evelina, op haar blauwe Giulietta. De Doodskop zou natuurlijk niet huilen, kun je net denken, en Barbara ook niet. Mijn zusje en Salvatore wel.
Ik wilde niet doodgaan. Al zou ik wel graag bij mijn begrafenis zijn.
Ik hoefde niet naar boven. Wat was er in me gevaren?
Ik keerde mijn fiets en ging op weg naar huis. Na zo’n honderd meter remde ik.
Wat zou Tiger Jack in mijn plaats hebben gedaan?
Die zou nog niet omkeren als Manitu in eigen persoon daar bevel toe gaf.
Tiger Jack.
Dat was iemand van wie je opaan kon. Tiger Jack, de Indiaanse vriend van Tex Willer.
Tiger Jack zou die heuvel zelfs op gaan als er een internationale bijeenkomst van alle heksen, boeven en reuzen uit de hele wereld was, omdat hij een Navajo-indiaan was, en zo onverschrokken, onzichtbaar en geluidloos als een poema, en goed kon klimmen en goed kon afwachten tot hij zijn vijanden met zijn dolk kon steken. Ik ben Tiger, of nee, ik ben de Italiaanse zoon van Tiger, zei ik tegen mezelf.
Jammer dat ik geen dolk had, of een boog of een Winchester.
Ik verstopte mijn fiets, zoals Tiger met zijn paard zou hebben gedaan, dook het graan in en ging op handen en voeten verder, tot mijn benen als harde stukken hout aanvoelden en mijn armen gevoelloos waren. Daarom ging ik op mijn tenen verder, net als een fazant, naar rechts en links kijkend.
Toen ik bij het dal was bleef ik een paar minuten staan om op adem te komen, tegen een boomstam geleund. Als een Sioux sloop ik van boom tot boom, een schim. Mijn oren gespitst om elke verdachte kreet, ieder geluid op te vangen. Maar ik hoorde alleen hoe het bloed in mijn slapen klopte.
Weggedoken achter een struik bespioneerde ik het huis.
Het was vredig en stil. Er leek niets veranderd. Als er al heksen waren geweest, hadden ze alles weer netjes opgeruimd.
Ik wurmde me langs de braamstruiken en kwam weer op de binnenplaats.
Daar was het hol, verstopt onder de golfplaat en de matras. Ik had het niet gedroomd.
==
Ik kon hem niet goed zien. Het was donker en het barstte van de vliegen en er steeg een walgelijke stank op.
Ik knielde op de rand.
‘Leef je nog?’
Niks.
‘Leef je nog? Hoor je me?’
Ik wachtte even, toen gooide ik een steentje. Ik raakte zijn voet. Een magere, smalle voet met zwarte tenen. Een voet die geen millimeter bewoog.
Hij was dood. En hij zou pas opstaan als Jezus het hem persoonlijk beval.
Ik kreeg er kippenvel van.
Dode honden en katten had ik nooit zo eng gevonden. Hun vacht maakt de dood onzichtbaar. Maar van dit lijk, spierwit, met een arm opzij en het hoofd naar de muur, griezelde ik. Er was geen bloed, niks. Alleen een levenloos lichaam in een verlaten hol.
Het had niets menselijks meer.
Ik moest zijn gezicht zien. Het gezicht is het allerbelangrijkste. Aan een gezicht kun je alles zien.
Maar ik durfde niet naar beneden te klimmen. Ik zou hem met een stok kunnen omdraaien. Een behoorlijk lange stok, dat was wat ik nodig had. Ik liep de stal in en vond er een paal, maar die was te kort. Ik ging weer terug. Er kwam een deurtje op de binnenplaats uit dat met een sleutel dichtzat. Ik probeerde het open te duwen maar het gaf niet mee, al zag het er vervallen uit. Boven de deur zat een raampje. Ik klauterde omhoog, me vasthoudend aan de deurstijlen, en wrong me naar binnen, met mijn hoofd naar voren. Een paar kilo erbij, of zo’n achterste als dat van Barbara, en ik was er niet doorheen gekomen.
Ik stond in de kamer die ik had gezien toen ik de brug overstak, met de pastaverpakkingen, de open blikken gepelde tomaten, en lege bierflesjes. De resten van een vuur. Kranten. Een matras. Een jerrycan met water. Een plastic tas. Ik had hetzelfde gevoel als de vorige dag: dat er regelmatig iemand kwam. Die kamer was niet onbewoond, zoals de rest van het huis.
Er stond een grote doos onder een grijze doek. Daarin vond ik een touw met een ijzeren haak eraan.
Daarmee kan ik beneden komen, dacht ik.
Ik pakte het, gooide het door het raampje en ging weer naar buiten.
Op de grond lag de verroeste arm van de hijskraan. Ik knoopte het touw eromheen. Maar ik was bang dat het los zou gaan en dat ik samen met de dode in het hol zou achterblijven. Ik legde er drie knopen in, zoals papa met het dekzeil van de vrachtauto deed. Ik trok met al mijn kracht, het hield. Toen gooide ik het in het hol.
‘Ik ben nergens bang voor,’ fluisterde ik om mezelf moed in te spreken, maar mijn knieën knikten en een stem in mijn hoofd schreeuwde dat ik niet moest gaan.
Doden doen niks, zei ik tegen mezelf, sloeg een kruis en liet me zakken.
==
Het was daar veel koeler.
Het vel van de dode was smerig, vol korsten modder en stront. Hij was bloot. Even lang als ik, maar magerder. Vel over been. Zijn ribben staken uit. Hij was waarschijnlijk van mijn leeftijd.
Met de neus van mijn schoen raakte ik zijn hand aan, maar hij gaf geen teken van leven. Ik lichtte de deken op die zijn benen bedekte. Om zijn rechterenkel zat een dikke ketting, die vastzat met een hangslot. Zijn vel was geschaafd en rood. Uit het vlees droop een doorschijnende, dikke vloeistof op de verroeste schakels van de ketting, die aan een in de grond verankerde ring vastzat.
Ik wilde zijn gezicht zien. Maar ik durfde zijn hoofd niet aan te raken. Ik vond hem griezelig.
Ten slotte stak ik aarzelend mijn hand uit, pakte met twee vingers een hoekje van de deken en probeerde die net van zijn gezicht te trekken toen de dode zijn been optrok.
Ik balde mijn vuisten en sperde mijn mond open en de angst omklemde mijn ballen met een ijzige greep.
Toen richtte de dode zijn bovenlijf op, alsof hij leefde, en stak hij met zijn ogen dicht zijn armen naar me uit.
Mijn haren stonden recht overeind, ik gaf een gil, maakte een sprong achteruit, struikelde over de emmer en de stront plensde over me heen. Keihard schreeuwend kwam ik op mijn rug terecht.
Ik rolde door de stront. Toen, eindelijk, kreeg ik met een wanhopige ruk het touw te pakken en schoot ik als een gek geworden vlo dat hol uit.
==
Ik trapte maar door, bonkte over kuilen en irrigatiegoten, met het risico dat mijn rug brak, maar ik remde niet. Mijn hart barstte bijna, mijn longen stonden in brand. Toen ik een hoge hobbel nam vloog ik door de lucht. Ik kwam verkeerd terecht, sleepte met een voet over de grond en kneep hard in de remmen, maar dat maakte het nog erger. Mijn voorwiel blokkeerde en ik schoof naar de greppel aan de kant van de weg. Met trillende benen ging ik weer staan en ik bekeek mezelf. Een knie was zo geschaafd dat het bloedde, mijn T-shirt zat onder de stront en een leren bandje van mijn sandaal was gebroken.
Rustig ademhalen, zei ik tegen mezelf.
Ik haalde diep adem en voelde hoe mijn hart bedaarde, hoe mijn adem weer normaal werd, en plotseling kreeg ik slaap.
Ik ging liggen en deed mijn ogen dicht. Onder mijn oogleden was alles rood. De angst was er nog wel, maar het was niet veel meer dan een brandend gevoel in mijn maag. De zon verwarmde mijn koude armen. De krekels sjirpten in mijn oren. Mijn knie klopte.
Toen ik mijn ogen weer opendeed, wandelden er grote zwarte mieren over me heen.
Hoe lang had ik geslapen? Het kon evengoed vijf minuten als twee uur zijn geweest.
Ik klom op mijn Scassona en ging op weg naar huis. Onder het fietsen zag ik steeds hoe de dode jongen zijn handen naar me uitstak. Dat uitgemergelde gezicht, die dichte ogen en die wijd open mond verschenen telkens weer voor mijn ogen.
Het leek intussen allemaal een droom. Een nachtmerrie die geen kracht meer had.
Hij leefde. Hij had alleen maar gedaan of hij dood was. Waarom?
Misschien was hij ziek, misschien was hij een monster.
Een weerwolf.
’s Nachts werd hij een wolf. Ze hielden hem daar aan de ketting omdat hij gevaarlijk was. Op de televisie had ik een film gezien over een man die, als het volle maan was, ’s nachts in een wolf veranderde en mensen aanviel. De boeren zetten een val en de wolf kwam erin terecht en een jager schoot hem neer en de wolf ging dood en werd weer een man. Het was de apotheker. En de jager was de zoon van de apotheker.
Ze hadden die jongen onder een met aarde bedekte golfplaat aan de ketting gelegd zodat hij geen last had van het maanlicht.
Weerwolven kun je niet genezen. Om ze te doden heb je een zilveren kogel nodig.
Maar weerwolven bestonden niet.
‘Hou op over die monsters, Michele. Monsters bestaan niet. Spoken, weerwolven en heksen zijn allemaal verzonnen om sukkels zoals jij de stuipen op het lijf te jagen. Voor mensen moet je bang zijn, niet voor monsters,’ had papa op een dag gezegd toen ik hem had gevraagd of monsters onder water konden ademhalen.
Maar als ze hem daar verstopt hadden, was daar vast een reden voor.
Papa zou het me allemaal wel uitleggen.
==
‘Papa! Papa...’ Ik duwde de deur open en stormde naar binnen. ‘Papa! Moet je horen...’ De rest bestierf me op de lippen.
Hij zat in de leunstoel, met de krant in zijn handen, en keek me met uitpuilende ogen aan. Zo erg had ik ze nooit meer zien uitpuilen sinds de dag dat ik het Lourdeswater had opgedronken omdat ik dacht dat het prikwater was. Hij drukte zijn peuk in zijn koffiekopje uit.
Mama zat op de bank te naaien, tilde haar hoofd op en liet het weer zakken.
Papa snoof heel diep en zei: ‘Waar heb jij de hele dag gezeten?’ Hij bekeek me van top tot teen. ‘Heb je jezelf al gezien? Waar heb jij verdomme doorheen liggen rollen?’ Hij trok een vies gezicht. ‘Door de stront? Je stinkt als een varken! Je hebt zelfs je sandalen gescheurd!’ Hij keek op de klok. ‘Weet je wel hoe laat het is?’
Ik gaf geen kik.
‘Ik zal het je vertellen. Tien voor halfvier. Bij het middageten heb je je niet laten zien. Niemand wist waar je uithing. Ik ben je helemaal in Lucignano gaan zoeken. Gisteren heb ik het nog door de vingers gezien, maar dat gebeurt vandaag niet.’
Als papa zo razend was, schreeuwde hij niet, dan praatte hij heel zachtjes. Daar was ik doodsbang voor. En ik moet nog steeds niets hebben van mensen die hun woede niet uiten.
Hij wees naar de deur. ‘Als jij zo graag je eigen zin doet kun je beter gaan. Ik heb schoon genoeg van je. Ga maar weg.’
‘Wacht nou, ik moet je iets vertellen.’
‘Jij hoeft mij helemaal niets te vertellen, weg jij.’
Ik smeekte. ‘Papa, het is belangrijk...’
‘Als je niet binnen drie seconden weg bent, kom ik uit mijn stoel en dan schop ik je helemaal tot het bord met Acqua Traverse.’ Plotseling verhief hij zijn stem. ‘Maak dat je wegkomt!’
Ik knikte van ja en kreeg veel zin om te huilen. De tranen sprongen in mijn ogen, ik deed de deur open en ging de trap af, klom weer op de Scassona en reed naar de beek.
==
De beek stond altijd droog, behalve ’s winters, als het hard regende. Als een lange, witte waterslang kronkelde hij tussen de gele velden door. Een bedding van scherpe witte stenen, gloeiendhete rotsblokken en plukken gras.
Na een steil stuk tussen twee heuvels verbreedde de beek zich tot een poel die ’s zomers opdroogde tot een zwarte modderplas.
‘Het meer’, noemden we die.
Er zat geen vis, ook geen kikkervisjes, alleen muggenlarven en schrijvertjes. Als je je voeten erin stak en ze er dan weer uithaalde, zaten ze vol donkere, stinkende blubber.
Daar gingen we heen voor de johannesbroodboom.
==
Die was groot en oud en je kon er makkelijk in klimmen. We droomden ervan bovenin een huis te timmeren. Met een deur, een dak, een touwladder en heel de rest. Maar we hadden nooit de goede planken en spijkers kunnen vinden, en we wisten ook niet hoe we het moesten aanpakken. De Doodskop had er op een keer een spiraal in gehesen. Maar daar zat je vreselijk ongemakkelijk op. Je haalde je vel eraan open en scheurde je kleren. En als je te veel bewoog, belandde je op de grond.
De laatste tijd klom er echter niemand meer in de johannesbroodboom. Maar ik vond het nog steeds leuk. Je zat daarboven lekker in de schaduw, onzichtbaar tussen de bladeren. Je kon heel ver kijken, alsof je in het topje van de mast op een schip zat. Acqua Traverse was een vlekje, een eenzaam stipje tussen het graan. Je kon de weg naar Lucignano in de gaten houden. Daarvandaan kon ik het groene dekzeil van papa’s vrachtwagen het eerst van allemaal zien.
Ik klauterde naar mijn geliefde plekje, schrijlings in de vork van een dikke tak, en besloot dat ik nooit meer naar huis terug zou gaan.
Als papa genoeg van me had, als hij een hekel aan me had, moest hij dat zelf maar weten, dan bleef ik gewoon hier. Ik kon best zonder familie, net als weeskinderen.
‘Ik heb schoon genoeg van je, maak dat je wegkomt!’
Mij best, zei ik tegen mezelf. Maar als ik niet terugkom, zul je wel anders piepen. En dan kom je hier onder de boom staan om te vragen of ik terugkom maar dan kom ik niet en dan vraag jij of ik toch alsjeblieft wil komen en dan kom ik nog niet en dan snap je wel dat je stom bent geweest en dat je zoon niet terugkomt en voortaan in de boom woont.
Ik deed mijn T-shirt uit, leunde met mijn rug tegen de stam, met mijn hoofd in mijn handen, en keek naar de heuvel van het jongetje. Die lag ver weg, aan het eind van de vlakte, en ernaast ging de zon onder. Een feloranje schijf die de kleur van de wolken en de hemel in roze veranderde.
==
‘Michele, kom naar beneden!’
Ik werd wakker en deed mijn ogen open.
Waar was ik?
Het duurde even voor ik besefte dat ik met opgetrokken knieën in de johannesbroodboom zat.
‘Michele!’
Onder de boom stond Maria, op haar Graziella. Ik geeuwde: ‘Wat wil je?’ Ik rekte me uit. Mijn rug was gebroken.
Ze stapte van haar fiets. ‘Mama zei dat je thuis moet komen.’
Ik trok mijn T-shirt weer aan. Het begon af te koelen. ‘Nee, zeg maar dat ik niet terugkom. Ik blijf hier!’
‘Mama zei dat het eten klaar is.’
Het was al laat. Het was nog een beetje licht, maar binnen een halfuur zou het nacht zijn. Dat vond ik niet zo prettig.
‘Zeg maar dat ik hun zoon niet meer ben en dat jij nu hun enige kind bent.’
Mijn zusje fronste haar wenkbrauwen. ‘En ben je dan ook mijn broertje niet meer?’
‘Nee.’
‘Is de kamer dan voor mij alleen en mag ik dan ook de stripboeken pakken?’
‘Nee, dat heeft er niks mee te maken.’
‘Mama zei dat als jij niet komt, zij wel komt en je een pak slaag geeft.’ Ze wenkte dat ik naar beneden moest komen.
‘Kan mij wat schelen. Ze kan toch niet in de boom klimmen.’
‘Welles. Mama is zo boven.’
‘Dan gooi ik stenen naar haar.’
Ze ging op haar zadel zitten. ‘Kijk maar uit, ze wordt woest.’
‘Waar is papa?’
‘Die is er niet.’
‘Waar is hij dan?’
‘Hij is weggegaan, hij komt pas laat terug.’
‘Waarheen?’
‘Weet ik niet. Kom je?’
Ik rammelde van de honger. ‘Wat eten we?’
‘Puree met ei,’ zei ze terwijl ze wegreed.
Puree met ei. Dat vond ik zalig. Vooral als ik het door elkaar deed en het een lekker prakje werd.
Ik sprong uit de boom naar beneden. ‘Oké, ik kom, maar alleen voor vanavond.’
==
Onder het eten zei niemand iets.
Het leek wel of er een dode in huis was. Mijn zusje en ik zaten aan tafel te eten.
Mama waste af. ‘Als jullie klaar zijn, gaan jullie als de bliksem naar bed.’
Maria vroeg: ‘En de televisie dan?’
‘Niks geen televisie. Straks komt jullie vader terug en als hij ziet dat jullie nog op zijn, zwaait er wat.’
Ik vroeg: ‘Is hij nog erg kwaad?’
‘Ja.’
‘Wat zei hij?’
‘Hij zei dat hij je volgend jaar naar de broeders brengt als je zo doorgaat.’
Zodra ik maar even iets verkeerd deed, wilde papa me naar de broeders sturen.
Salvatore ging zo nu en dan met zijn moeder naar het San Biagioklooster, omdat zijn oom daar overste was. Op een dag had ik Salvatore gevraagd hoe het bij de broeders toeging.
‘Vreselijk,’ had hij geantwoord. ‘Je bent de hele dag aan het bidden en ’s avonds sluiten ze je op in een kamer en als je moet pissen mag je niet en zelfs als het koud is moet je van hen sandalen aan.’
Ik haatte die broeders, maar ik wist dat ik er nooit heen zou gaan, omdat papa ze nog erger haatte dan ik en zei dat het zwijnen waren.
Ik zette mijn bord in de gootsteen. ‘Wordt papa nooit meer goed?’
Mama zei: ‘Als hij thuiskomt en ziet dat je slaapt, wordt hij misschien weer goed.’
==
Mama zat nooit samen met ons aan tafel.
Ze schepte voor ons op en at staande, met haar bord op de koelkast. Ze zei weinig en bleef staan. Ze stond altijd. Bij het koken. Bij het wassen. Bij het strijken. Als ze niet stond, sliep ze. Televisie vond ze vervelend. Als ze moe was, plofte ze op bed en was meteen vertrokken.
Toen deze geschiedenis speelde was mama drieëndertig. Ze was nog mooi. Ze had lang, zwart haar tot halverwege haar rug, en liet dat loshangen. Ze had twee grote, donkere, amandelvormige ogen, een brede mond, sterke witte tanden en een smal toelopende kin. Ze leek wel een Arabische. Ze was lang, had een mooi figuur, een flinke boezem, een slanke taille, billen die je wel even aan wilde raken en brede heupen.
Als we naar de markt in Lucignano gingen, zag ik dat de mannen hun ogen niet van haar af konden houden. Ik zag hoe de groenteverkoper de man in het kraampje naast hem een por met zijn elleboog gaf en hoe ze naar haar billen keken en dan hun ogen naar de hemel opsloegen. Ik hield haar hand vast, was niet van haar weg te slaan.
Ze is van mij, laat haar met rust, had ik willen schreeuwen.
‘Teresa, je roept slechte gedachten op,’ zei Severino, die de tankwagen reed, tegen haar.
Mama gaf niet om dat soort dingen. Ze zag het niet. De gretige blikken gleden van haar af. Van dat gegluur in de v-hals van haar jurk werd ze warm noch koud.
Ze was geen flirt.
==
Het was zo benauwd dat je geen lucht kreeg. We lagen in bed. In het donker.
‘Ken jij een dier dat begint met een vrucht?’ vroeg Maria.
‘Wat?’
‘Een dier dat begint met een vrucht.’
Ik lag erover na te denken. ‘Jij?’
‘Ja.’
‘Wie heeft dat tegen je gezegd?’
‘Barbara.’
Ik had geen idee. ‘Die bestaan niet.’
‘Die bestaan wel, die bestaan wel.’
Ik probeerde maar wat. ‘Een druivenplukker.’
‘Dat is geen dier. Dat telt niet.’
Mijn hoofd was leeg. Ik noemde voor mezelf alle vruchten op die ik kende en plakte er stukken van dieren achter, maar er kwam niks uit.
‘De pruimstaart?’
‘Nee.’
‘De braammarter?’
‘Nee.’
‘Ik weet het niet. Ik geef het op. Wat is het dan?’
‘Zeg ik niet.’
‘Nou moet je het zeggen.’
‘Goed, dan zeg ik het. De mandarijneend.’
Ik gaf me een klap voor mijn kop. ‘Natuurlijk! Een mandarijneend! Hartstikke makkelijk. Wat stom...’
‘Welterusten,’ zei Maria.
‘Welterusten,’ antwoordde ik.
Ik probeerde te slapen, al had ik geen slaap. Ik lag maar te woelen in mijn bed.
Ik ging voor het raam staan. De maan was geen volmaakte bol meer en overal waar je keek stonden sterren. Vannacht kon die jongen zichzelf niet in een wolf veranderen. Ik keek naar de heuvel en heel even leek het wel of er een lichtje op de heuvel scheen.
Wie weet wat er in dat verlaten huis gebeurde. Misschien waren de heksen er, en stonden ze, oud en bloot, met tandeloze monden, om het gat heen te lachen, en misschien haalden ze die jongen uit het hol en lieten ze hem dansen en trokken ze aan zijn piemel. Misschien waren de reus en de zigeuners hem wel boven een vuurtje gaar aan het stoven.
’s Nachts zou ik voor al het goud van wereld die heuvel nog niet op zijn gegaan. Het liefst had ik me in een vleermuis veranderd om boven het huis rond te vliegen. Of het oude harnas aangetrokken dat Salvatores papa bij de ingang van het huis had staan, om dan naar boven te klimmen. Als ik dat aanhad, konden de heksen me niets doen.
3
Toen ik ’s morgens wakker werd, voelde ik me rustig, ik had geen akelige dromen gehad. Ik bleef nog even met mijn ogen dicht op bed liggen om naar de vogels te luisteren. Toen zag ik weer voor me hoe die jongen overeind kwam en zijn armen uitstak.
‘Help!’ zei ik.
Wat stom! Daarom was hij overeind gekomen. Hij had om hulp gevraagd en ik was ervandoor gegaan.
Ik liep in mijn onderbroek de kamer uit. Papa stond net het koffiezetapparaat dicht te draaien. Barbara’s vader zat aan de tafel.
‘Goeiemorgen,’ zei papa. Hij was niet meer kwaad.
‘Dag Michele,’ zei Barbara’s vader. ‘Hoe gaat het?’
‘Goed.’
Pietro Mura was een kleine, gedrongen man, met een zwarte snor die over zijn mond hing en een grote, vierkante kop. Hij droeg een zwart krijtstreeppak en daaronder een hemd. Hij was jarenlang barbier geweest in Lucignano, maar de zaken waren nooit echt goed gegaan, en toen er een nieuwe kapsalon was geopend, waar ook een manicure werkte en ze je haar modern knipten, had hij zijn zaak gesloten, en nu was hij boer. Maar in Acqua Traverse noemden ze hem nog steeds de barbier.
Als je haar geknipt moest worden ging je naar zijn huis. Hij liet je in de keuken zitten, in de zon, naast de kooi met distelvinken, trok een la open en haalde er een opgerolde doek uit waarin hij zijn kammen en goed ingevette scharen bewaarde.
Pietro Mura’s vingers waren even kort en dik als Toscaanse sigaren, zodat ze nauwelijks in de ogen van de schaar pasten, en voordat hij begon te knippen ging hij met de schaar wijd open naar voren en naar achteren over je hoofd, als een wichelroede. Hij zei dat hij zo kon lezen of je gedachten goed of slecht waren.
Als hij dat deed probeerde ik alleen aan prettige dingen te denken, zoals ijsjes, vallende sterren, of hoeveel ik van mama hield.
Hij keek naar me en zei: ‘Wat wil jij? Je haar laten groeien?’
Ik schudde van nee.
Papa schonk koffie in de mooie kopjes.
‘Gisteren heeft hij me kwaad gemaakt. Als hij zo doorgaat stuur ik hem naar de broeders.’
De kapper vroeg: ‘Weet je hoe het haar van de broeders wordt geknipt?’
‘Met een kale plek middenop.’
‘Goed zo. Je kunt dus maar beter gehoorzaam zijn.’
‘Hup, aankleden en ontbijten,’ zei papa. ‘Mama heeft brood en melk voor je klaargezet.’
‘Waar is ze naartoe?’
‘Naar Lucignano, naar de markt.’
‘Papa, ik moet je iets vertellen, iets belangrijks.’
Hij trok zijn jasje aan. ‘Vertel het vanavond maar. Nu moet ik weg. Maak je zusje wakker en maak de melk warm.’ In één teug had hij zijn koffie naar binnen.
De barbier dronk de zijne op en samen gingen ze het huis uit.
==
Nadat ik Maria’s ontbijt had klaargemaakt, ging ik naar buiten.
De Doodskop en de anderen waren in de zon aan het voetballen.
Togo, een zwart-wit bastaardhondje, rende achter de bal aan en liep iedereen voor de voeten.
Aan het begin van de zomer was Togo in Acqua Traverse opgedoken en door het hele dorp geadopteerd. In de schuur van de vader van de Doodskop had hij een plekje om te slapen. Iedereen gaf hem etensresten en hij was een dikke schommel geworden, met een buik als een grote trom. Het was een lief hondje, als je hem aaide of in huis liet, was hij helemaal door het dolle en dan kroop hij weg en deed hij een plasje.
‘Jij moet in het doel,’ schreeuwde Salvatore naar me.
Ik ging op mijn plaats staan. Niemand vond het prettig om keeper te zijn. Ik wel. Misschien omdat ik met mijn handen beter was dan met mijn voeten. Ik vond het leuk om te springen, te duiken, door het stof te rollen. Harde ballen te houden.
De anderen wilden alleen doelpunten maken.
Die ochtend liet ik er heel wat door. De bal glipte uit mijn handen of ik was te laat. Ik was verstrooid.
Salvatore kwam naar me toe. ‘Michele, wat is er?’
‘Wat er is?’
‘Je speelt zo slecht.’
Ik spuugde in mijn handen, ging wijdbeens staan, met gespreide armen, en kneep mijn ogen halfdicht, net als Zoff.
‘Nu hou ik ze wel. Ik hou ze allemaal.’
De Doodskop schudde Remo af en schoot kaarsrecht op het midden. Een keiharde bal, maar makkelijk, zo eentje die je met een vuist kunt wegstompen of met je buik opvangen. Ik probeerde hem te grijpen maar hij schoot uit mijn handen.
‘Goal!’ brulde de Doodskop, en stak een vuist in de lucht alsof hij tegen Juventus had gescoord.
De heuvel riep me. Ik kon er best heen gaan. Papa en mama waren er niet. Als ik maar voor het middageten terugwas.
‘Ik heb geen zin meer,’ zei ik en liep weg.
Salvatore kwam achter me aan. ‘Waar ga je heen?’
‘Nergens.’
‘Zullen we een eindje rijden?’
‘Straks. Eerst moet ik iets doen.’
==
Ik was ervandoor gegaan en had alles gelaten zoals het was.
De golfplaat en de matras waren opzij geschoven, het gat was niet bedekt en het touw hing nog omlaag.
Als de bewakers van het hol waren gekomen, hadden ze gezien dat hun geheim was ontdekt en dat zouden ze me vast betaald zetten.
En als hij er niet meer was?
Ik moest al mijn moed verzamelen om te kijken.
Ik boog over de rand.
Hij lag in de deken gerold.
Ik schraapte mijn keel. ‘Hallo... hallo... hallo... Ik ben die jongen van gisteren. Ik was bij je beneden, weet je nog?’
Geen antwoord.
‘Kun je me horen? Ben je doof?’ Wat een stomme vraag. ‘Ben je ziek? Leef je nog?’
Hij bewoog zijn arm, tilde een hand op en fluisterde iets.
‘Wat? Ik verstond je niet.’
‘Water.’
‘Water? Heb je dorst?’
Hij stak zijn hand op.
‘Wacht even.’
Waar kon ik water vinden? Water? Er stonden een paar verfemmers, maar die waren leeg. In de wasteil stond een beetje, maar dat zag groen en wemelde van de muggenlarven.
Ik herinnerde me dat ik, toen ik naar binnen was gegaan om het touw te pakken, een jerrycan met water had zien staan.
‘Ik ben zo terug,’ zei ik tegen hem, en wurmde me door het raampje boven de deur naar binnen.
De jerrycan was halfvol, maar het water was helder en stonk niet. Het leek me goed.
In een donkere hoek, op een houten plank, stonden blikken, stompjes kaars, een pan en lege flessen. Ik pakte er een, zette een paar stappen en stond toen stil. Ik liep terug en nam de pan in mijn handen. Het was een kleine pan, van wit email met een blauwe rand en blauwe oren en rondom rode appels, precies zoals we thuis hadden. Die van ons hadden we samen met mama op de markt in Lucignano gekocht, Maria had hem uit een hele hoop pannen op een marktkraampje gekozen omdat ze de appels zo leuk vond.
Deze leek ouder. Hij was slecht schoongemaakt, op de bodem zaten nog wat aangekoekte resten. Ik haalde mijn wijsvinger erover en hield hem bij mijn neus.
Tomatensaus.
Ik zette hem weer op zijn plaats, vulde de fles met water, deed hem met een kurk dicht, nam de mand mee en liep het huis uit.
Ik pakte het touw, knoopte het aan de mand en zette de fles erin.
‘Ik laat hem voor je zakken,’ zei ik. ‘Pak hem maar.’
Met de deken om zich heen vond hij op de tast de fles in de mand, trok de kurk eraf en goot het water in het pannetje, zonder ook maar iets te morsen, toen zette hij hem weer in de mand en gaf hij een ruk aan het touw.
Alsof het iets was dat hij altijd deed, elke dag. Omdat ik niet ophaalde, gaf hij een tweede ruk aan het touw en gromde woedend iets onverstaanbaars.
Zodra ik de mand had opgetrokken, liet hij zijn hoofd zakken en begon hij zonder het pannetje op te tillen te drinken, op handen en voeten, als een hond. Toen het op was, rolde hij op zijn zij en verroerde hij zich niet meer.
Het was al laat.
‘Nou... dag.’ Ik bedekte het gat en ging weg.
==
Terwijl ik naar Acqua Traverse fietste, dacht ik aan de pan die ik in de boerderij had gevonden.
Ik vond het vreemd dat die op de onze leek. Ik weet niet, misschien wel omdat Maria hem uit een heleboel andere had gekozen. Alsof hij heel speciaal was, mooier, met die rode appels.
Ik was precies op tijd thuis voor het eten.
‘Gauw, ga je handen wassen,’ zei papa. Hij zat naast mijn zusje aan tafel. Ze wachtten tot mama de pasta afgoot.
Ik rende naar de badkamer en boende mijn handen met zeep, maakte rechts een scheiding en zat al naast ze toen mama de pasta op de borden schepte.
Ze gebruikte niet de pan met de appels. Ik keek naar de vaat die op het aanrecht stond te drogen, maar ook daar zag ik hem niet. Hij zou wel in het dressoir staan.
‘Over een paar dagen komt hier iemand logeren,’ zei papa met volle mond. ‘Jullie moeten lief zijn. Geen gehuil en geschreeuw. Zorg maar dat ik me niet hoef te schamen.’
Ik vroeg: ‘Wat is dat voor iemand?’
Hij schonk een glas wijn in. ‘Een vriend van me.’
‘Hoe heet hij?’ vroeg mijn zusje.
‘Sergio.’
‘Sergio,’ zei Maria hem na. ‘Wat een gekke naam.’
Het was de eerste keer dat iemand bij ons kwam logeren. Met Kerstmis kwamen mijn ooms en tantes, maar die bleven bijna nooit slapen. Daar was geen plaats voor. Ik vroeg: ‘En hoe lang blijft hij?’
Papa schepte nog eens op. ‘Een tijdje.’
Mama legde een plakje vlees voor ons neer.
Het was woensdag. En woensdag was de dag van het plakje vlees.
Het plakje vlees dat gezond is, maar dat mijn zusje en ik vies vonden. Ik kreeg die harde, smakeloze leren lap met veel moeite weg, maar mijn zusje niet. Maria kon er urenlang op kauwen, tot het een witte, draderige bal was die in haar mond steeds groter werd. En als ze hem echt niet wegkreeg, plakte ze hem tegen de onderkant van de tafel. Daar zat het vlees te verrotten. Mama snapte er helemaal niets van: ‘Waar komt die stank toch vandaan? Wat zou dat nou zijn?’ Tot ze op een dag de bestekla eruit haalde en al die smerige balletjes vond, die als bijennesten aan de planken zaten gekleefd.
Maar nu hadden ze haar trucje door.
Maria begon te zeuren. ‘Ik wil niet! Ik vind het niet lekker!’
Mama werd meteen kwaad. ‘Maria, eet je vlees op!’
‘Dat gaat niet. Ik krijg er hoofdpijn van,’ zei mijn zusje, alsof ze vergif kreeg voorgezet.
Mama gaf haar een draai om haar oren en Maria begon te dreinen.
Nu moet ze naar bed, dacht ik.
Maar papa pakte het bord en keek mama aan. ‘Laat maar, Teresa. Ze eet het toch niet op. Geduld. Zet het maar weg.’
==
Toen we hadden gegeten, gingen mijn ouders rusten. Het huis was een oven, maar ze zagen toch kans om in slaap te vallen.
Dit was het moment om op zoek te gaan naar de pan. Ik deed het dressoir open en zocht tussen het serviesgoed. Ik keek in de kist waarin we dingen stopten die niet meer werden gebruikt. Ik ging naar buiten, naar de achterkant van het huis, waar het washok was, de moestuin en de waslijnen. Zo nu en dan deed mama daar de afwas en liet die dan in de zon drogen.
Niets. De pan met de appels was verdwenen.
==
We zaten onder de pergola te doen wie het verst kon spugen en wachtten tot de zon een beetje lager zou staan om een partijtje te voetballen, toen ik papa de trap af zag komen, in zijn mooie broek en met een schoon overhemd aan. In zijn hand had hij een blauwe tas die ik nog nooit had gezien.
Maria en ik stonden op en waren juist bij hem toen hij in de vrachtwagen klom.
‘Papa, papa, waar ga je heen? Ga je weg?’ vroeg ik terwijl ik me aan het portier vastklemde.
‘Mogen we mee?’ bedelde mijn zusje.
Een lekker tochtje met de vrachtwagen, dat zou pas leuk zijn. We herinnerden ons allebei nog de keer dat papa ons had meegenomen om pasteitjes en pasta met roomsaus te gaan eten.
Hij startte de motor. ‘Sorry jongens. Vandaag niet.’
Ik probeerde me in de cabine te wurmen. ‘Maar je had gezegd dat je niet meer weg zou gaan, dat je thuis zou blijven...’
‘Ik kom gauw terug, morgen of overmorgen. Hup, eruit.’ Hij had haast. Hij had geen zin in gezeur.
Mijn zusje probeerde nog even haar zin door te drijven. Ik niet, dat diende toch nergens toe.
We zagen hoe hij wegreed in een stofwolk, aan het stuur van zijn grote groene blikken trommel.
==
Midden in de nacht werd ik wakker.
Niet door een droom. Door een geluid.
Ik bleef stil, met mijn ogen dicht, liggen luisteren.
Het leek wel of ik aan zee was. Ik hoorde hem. Alleen was het een zee van ijzer, een trage oceaan van bouten, schroeven en spijkers, die bij de vloedlijn tegen het strand klotsten. Langzame golven schroot braken in een loodzware branding, die de oevers overspoelde en zich dan weer terugtrok.
Tegelijkertijd hoorde ik het gehuil en geblaf van een meute honden, een naargeestig, vals koor, dat het gekletter van het ijzer niet dempte maar versterkte.
Ik keek uit het raam. Een dorsmachine kroop knarsend over de kam van een heuvel die baadde in het maanlicht. Hij leek op een reusachtige metalen sprinkhaan, met twee kleine, ronde, lichtgevende oogjes en grote kaken vol messen en punten. Een mechanisch insect dat graan vrat en stro poepte. Hij werkte ’s nachts omdat het overdag te warm was. Daar kwam dat geluid van de zee vandaan.
Waar het gehuil vandaan kwam, wist ik ook.
Uit de kennel van de vader van de Doodskop. Italo Natale had achter zijn huis een schuur van golfplaten gebouwd, waarin hij zijn jachthonden had opgesloten. Ze zaten daar altijd, zomer en winter, achter het kippengaas. Als de vader van de Doodskop ze ’s morgens hun eten kwam brengen, blaften ze.
Die nacht waren ze om een of andere reden allemaal tegelijk aan het janken geslagen.
Ik keek naar de heuvel.
Papa was daar. Hij had het vlees van mijn zusje naar die jongen gebracht, en daarom had hij net gedaan of hij wegging, en daarom had hij een tas bij zich, om het erin te verstoppen.
Voor het eten had ik de koelkast opengedaan en het vlees was er niet meer geweest.
‘Mama, waar is dat plakje vlees?’
Ze had me verbaasd aangekeken. ‘Heb je nu ineens trek in vlees?’
‘Ja.’
‘Dat is op, je vader heeft het opgegeten.’
Dat was niet waar. Hij had het meegenomen voor die jongen. Omdat die jongen mijn broer was.
Net als Nunzio Scardaccione, de oudste broer van Salvatore. Nunzio was geen gevaarlijke gek, maar ik durfde niet naar hem te kijken. Ik was bang dat zijn gekte dan op mij zou overgaan. Nunzio rukte met zijn handen zijn haren uit en at ze dan op. Zijn hoofd zat vol open plekken en korsten en hij kwijlde. Zijn moeder trok hem altijd een muts en handschoenen aan, zodat hij zijn haren er niet uit kon trekken, maar toen was hij tot bloedens toe in zijn armen gaan bijten. Ten slotte hadden ze hem meegenomen en naar het gekkenhuis gebracht. Ik was blij toe.
Het kon best zijn dat die jongen in dat hol mijn broertje was, en dat hij gek geboren was, net als Nunzio, en dat papa hem daar had verstopt om mijn zusje en mij niet aan het schrikken te maken. Om de kinderen van Acqua Traverse niet aan het schrikken te maken.
Misschien waren we wel tweeling. We waren even groot en volgens mij waren we even oud.
Toen we geboren waren, had mama ons allebei uit de wieg gepakt, en toen was ze op een stoel gaan zitten en had ze ons aan haar borst gelegd om ons melk te geven. Ik was gaan zuigen maar hij had in haar tepel gebeten en geprobeerd die los te scheuren, en uit haar borst was bloed met melk gekomen en mama had door het huis lopen schreeuwen: ‘Hij is gek! Hij is gek! Pino, haal hem weg! Haal hem weg! Je moet hem doodmaken, hij is gek.’
Papa had hem in een zak gestopt en naar de heuvel gebracht om hem dood te maken, hij had hem op de grond gelegd, in het graan, en hij had hem moeten doodsteken, maar dat had hij niet over zijn hart kunnen verkrijgen, het was nog altijd zijn kind, en toen had hij een hol gegraven en hem aan de ketting gelegd en hem daar grootgebracht.
Mama wist niet dat hij nog leefde.
Ik wel.
4
Ik werd vroeg wakker. Ik bleef in bed liggen terwijl de zon steeds heter werd. Toen hield ik het niet meer uit om daar te liggen wachten. Mama en Maria sliepen nog. Ik stond op, poetste mijn tanden, deed kaas en brood in mijn schooltas en ging het huis uit.
Ik was tot de slotsom gekomen dat het overdag niet gevaarlijk was op de heuvel, het was er alleen ’s nachts niet pluis.
Die ochtend waren er wolken verschenen. Ze snelden in volle vaart langs een kleurloze hemel en wierpen donkere vlekken over de korenvelden, maar ze hielden hun regen vast om die ergens anders heen te brengen.
Als een pijl uit de boog vloog ik op mijn Scassona over het uitgestorven land, regelrecht naar het huis.
Als ik in dat hol ook maar een piepklein stukje van het vlees vond, betekende dat dat die jongen mijn broertje was.
Ik was er bijna toen aan de horizon een rode stofwolk verscheen. Laag. Snel. Een wolk die zich door het graan voortbewoog. Zo’n stofwolk die een auto op een door de zon geblakerde onverharde weg maakt. Hij was ver weg, maar zou in een mum van tijd bij me zijn. Ik hoorde het geronk van de moter al.
Hij kwam van het verlaten huis. Deze weg ging nergens anders heen. Er verscheen een auto om de bocht die recht op me af kwam.
Ik wist niet wat ik moest doen. Als ik omkeerde zou hij me inhalen, als ik doorreed zou hij me zien. Ik moest snel iets besluiten, hij kwam al dichterbij. Misschien had hij me al gezien. Als hij me niet had gezien kwam dat alleen door de rode wolk die hij opwierp.
Ik draaide mijn fiets om en begon te trappen, probeerde zo snel mogelijk weg te komen. Dat had geen zin. Hoe harder ik trapte, hoe meer mijn fiets zich verzette, slingerde en weigerde door te rijden. Ik keek om en de stofwolk achter me groeide.
Verstop je, zei ik tegen mezelf.
Ik gaf een ruk aan het stuur, mijn fiets botste op een steen en ik vloog als een kruisbeeld het graan in. De auto was nog geen tweehonderd meter van me vandaan.
De Scassona lag aan de kant van de weg. Ik greep het voorwiel en trok hem naar me toe. Ik ging plat op de grond liggen en hield mijn adem in. Zonder een vin te verroeren. Het kindje Jezus smekend dat niemand me zou zien.
Het kindje Jezus verhoorde me.
Liggend tussen de halmen, terwijl de horzels op mijn vel een feestmaal aanrichtten, met mijn handen op de gloeiende aardkluiten, zag ik een bruine 127 langsschieten.
De 127 van Felice Natale.
==
Felice Natale was de oudste broer van de Doodskop, en de Doodskop mocht dan gemeen zijn, Felice was nog duizend keer erger.
Felice was twintig. En zodra hij in Acqua Traverse opdook, werd het leven voor mij en de andere kinderen een hel. Hij sloeg ons, maakte onze bal lek en pikte onze spullen.
Een zielepoot. Niet één vriend, geen vrouw. Iemand die altijd de kleintjes moest hebben en met zichzelf geen raad wist. En dat was logisch. Niemand kan op zijn twintigste nog in Acqua Traverse wonen, anders vergaat het hem hetzelfde als Nunzio Scardaccione, de harenvreter. Felice gedroeg zich in Acqua Traverse als een tijger in een kooi. Getergd draafde hij tussen die vier huizen rond, gespannen, klaar om je te grazen te nemen. Gelukkig ging hij af en toe naar Lucignano. Maar ook daar had hij geen vrienden gemaakt. Als ik uit school kwam zag ik hem in zijn eentje op een bank op het plein zitten.
Dat jaar waren broeken met wijde pijpen in de mode, en strakke, kleurige T-shirts, lammycoats en lang haar. Niks voor Felice. Hij knipte zijn haar kort en kamde het met brillantine naar achteren, schoor zich zo glad mogelijk en liep in legerjacks en camouflagebroeken. En hij knoopte een zakdoek om zijn hals. Hij reed rond in die 127, was gek op wapens en vertelde dat hij in Pisa paratroeper was geweest en uit vliegtuigen had gesprongen. Maar dat was niet waar. Iedereen wist dat hij in Brindisi in dienst was geweest. Hij had de scherpe trekken van een barracuda en kleine, ver uit elkaar staande tanden, als een pasgeboren krokodil. Hij had ooit tegen ons gezegd dat dat kwam doordat het nog steeds zijn melktanden waren. Hij had nooit gewisseld. Als hij zijn mond niet opendeed kon hij voor een mooie jongen doorgaan, maar als hij die hooischuur opentrok, als hij lachte, stapte je een eindje naar achteren. En als hij in de gaten had dat je naar zijn tanden keek kreeg je er van langs.
Maar op een goede dag was hij vertrokken, zonder tegen iemand iets te zeggen.
Als je de Doodskop vroeg waar zijn broer heen was, antwoordde die: ‘Naar het Noorden. Om te werken.’
Meer hoefden we niet te weten.
Maar nu was hij weer opgedoken, als giftig onkruid. In die poepkleurige 127. En hij kwam van dat verlaten huis.
Hij had die jongen in dat hol gestopt. Hij was natuurlijk degene die hem daar had verborgen.
==
Onzichtbaar tussen de bomen controleerde ik of er echt niemand in het kleine dal was.
Toen ik zeker wist dat ik alleen was, kwam ik onder de bomen vandaan en liep ik net als de andere keren via de kleine binnenplaats het huis in. Behalve de pastadozen, de bierflesjes en de pan met de appels lagen er op de vloer nog een paar opengemaakte blikjes tonijn. En een beetje opzij een opgerolde legerslaapzak.
Felice. Die was van hem. Ik zag voor me hoe hij, lekker in zijn slaapzak, vergenoegd de tonijn opat.
Ik vulde een fles met water, pakte het touw van de kist, nam het mee naar buiten, knoopte het aan de kraanarm, schoof de golfplaat en de matras opzij en keek naar beneden.
==
Hij lag als een stekelvarken in de bruine deken gerold.
Ik had helemaal geen zin om naar beneden te gaan, maar ik moest erachter zien te komen of er restjes van het plakje vlees van mijn zusje lagen. Hoewel ik Felice van de heuvel had zien komen, kon ik de gedachte dat die jongen mijn broertje was maar niet uit mijn hoofd zetten.
Ik haalde de kaas tevoorschijn en vroeg: ‘Mag ik komen? Ik ben die jongen van het water. Weet je nog? Ik heb eten voor je meegenomen. Caciotta. Caciotta is lekker. En wel duizendmaal lekkerder dan dat plakje vlees. Als je niks doet geef ik het aan je.’
Hij gaf geen antwoord.
‘Nou, zal ik komen?’
Misschien had Felice hem gekeeld.
‘Ik gooi de caciotta naar je toe. Pak hem maar.’ Ik liet hem vallen.
De kaas kwam vlak bij hem terecht.
Een zwarte hand schoot met de snelheid van een tarantula onder de deken uit en begon net zo lang over de grond te voelen tot hij de kaas had gevonden en weggegrist. Terwijl hij at, trilden zijn benen, net als bij straathonden die na dagen hongerlijden een restje vlees vinden.
‘Ik heb ook water... Zal ik het naar beneden brengen?’
Hij maakte een gebaar met zijn arm.
Ik liet me zakken.
Zodra hij hoorde dat ik in de buurt was, rolde hij zich in elkaar tegen de muur.
Ik keek om me heen. Geen spoor van het plakje vlees.
‘Ik doe niks. Heb je dorst?’ Ik stak hem de fles toe. ‘Drink maar, het is goed.’
Hij ging zitten zonder de deken van zich af te gooien. Hij zag eruit als een klein, in lompen gehuld spook. Zijn magere benen piepten eronderuit als twee dorre, witte takken. Een ervan zat vast met de ketting. Hij stak een arm uit, rukte de fles uit mijn handen die, net als de kaas, onder de deken verdween.
Het spook kreeg opeens een lange snuit, als een miereneter. Hij dronk.
Binnen twintig seconden was alles op. Toen hij klaar was, liet hij zelfs een boer.
‘Hoe heet je?’ vroeg ik.
Hij rolde zich weer op, zonder me een antwoord waardig te keuren.
‘Hoe heet je vader?’
Ik wachtte vergeefs.
‘Mijn vader heet Pino, en de jouwe? De jouwe heet toch ook Pino?’
Het leek wel of hij sliep.
Ik bleef naar hem kijken, toen zei ik: ‘Felice! Die ken je toch? Ik heb hem gezien. Hij reed met zijn auto naar beneden...’ Ik wist niet meer wat ik moest zeggen. ‘Wil je dat ik wegga? Als je dat wilt ga ik wel.’ Niks. ‘Best, ik ga al.’ Ik pakte het touw. ‘Nou, dag.’
Ik hoorde een soort gefluister, een zucht, iets wat onder de deken vandaan kwam.
Ik liep naar hem toe. ‘Zei je iets?’
Hij fluisterde weer iets.
‘Ik versta je niet. Praat wat harder.’
‘De beertjes...!’ schreeuwde hij.
Ik sprong overeind. ‘De beertjes? Wat voor beertjes?’
Hij liet zijn stem weer dalen. ‘De wasbeertjes...’
‘Wasbeertjes?’
‘De wasbeertjes. Als je het raam van de keuken openlaat komen de wasbeertjes binnen en dan stelen ze de gebakjes of de koekjes, dat hangt ervan af wat je die dag eet,’ zei hij heel ernstig. ‘Als je bijvoorbeeld afval voor je huis laat liggen, komen de wasbeertjes het ’s nachts opeten.’
Hij leek wel een kapotte radio die het plotseling weer doet.
‘Je moet goed opletten dat je de afvalemmer dichtdoet, anders gooien ze alles eruit.’
Waar had hij het over? Ik probeerde hem te onderbreken. ‘Er zijn hier geen beren. En ook geen wolven. Wel vossen.’ En toen vroeg ik: ‘Heb je gisteren toevallig een plakje vlees gegeten?’
‘Wasbeertjes bijten omdat ze bang zijn voor mensen.’
Wat moest hij verdomme met die wasbeertjes? En wat wasten ze dan? Kleren? Trouwens, beren praten alleen in stripverhalen. Dat gedoe over wasbeertjes vond ik maar niks.
Ik drong aan. ‘Zou je alsjeblieft willen zeggen of je gisteravond een stukje vlees hebt gegeten? Dat is erg belangrijk.’
Hij antwoordde: ‘De beertjes hebben tegen me gezegd dat jij niet bang bent van de wormenman.’
Een stemmetje in mijn hoofd zei dat ik niet naar hem moest blijven luisteren, dat ik moest maken dat ik wegkwam.
Ik greep het touw maar kon het niet opbrengen om ervandoor te gaan en bleef gebiologeerd naar hem kijken.
Hij hield vol: ‘Jij bent niet bang van de wormenman.’
‘De wormenman? Wie is dat?’
‘De wormenman zegt: “Hé, snotaap! Ik laat je spullen zakken. Haal ze eruit en geef me de emmer aan. Anders kom ik naar beneden en dan trap ik je dood, als een worm.” Ben jij mijn engelbewaarder?’
‘Wat?’
‘Ben jij mijn engelbewaarder?’
Ik stotterde. ‘Nee... ik, nee, ik ben geen engel.’
‘Jij bent wel mijn engel, je hebt dezelfde stem.’
‘Wat voor engel?’
‘Die tegen je praat, die alles zegt.’
‘Praten de wasbeertjes dan niet tegen je?’
Ik kon er geen touw aan vastknopen. ‘Dat zei je zelf...’
‘Die wasbeertjes praten wel, maar soms liegen ze. Je engel zegt altijd de waarheid. Jij bent mijn engelbewaarder.’ Zijn stem klonk wat hoger. ‘Dat mag je best tegen me zeggen.’
Ik voelde me beroerd. De strontlucht zat in mijn mond, mijn neus, mijn hersens. ‘Ik ben geen engel... Ik ben Michele, Michele Amitrano. Ik ben geen...’ mompelde ik, toen leunde ik tegen de muur en gleed ik op de grond. Hij stond op, stak zijn handen naar me uit als een melaatse die om een aalmoes vraagt en bleef even staan. Toen zette hij een stap en viel op zijn knieën aan mijn voeten, onder de deken.
Hij fluisterde iets en raakte mijn teen aan.
Ik gaf een gil. Alsof een griezelige kwal me had aangeraakt, een giftige spin. Met dat magere handje, met die lange, zwarte, kromme nagels van hem.
Hij praatte veel te zacht.
‘Wat is er, wat zeg je?’
‘Wat is er? Ik ben dood!’ antwoordde hij.
‘Wat?’
‘Wat? Ben ik dood? Ben ik dood? Ik ben dood! Wat?’
‘Praat eens wat harder. Wat harder... Toe nou...’
Hij kraste, schor, zonder stem, als een nagel over het schoolbord. ‘Ben ik dood? Ben ik dood? Ik ben dood!’
Ik vond het touw en trok me omhoog, wild trappend, zodat hij een lawine aarde over zich heen kreeg.
Maar hij bleef krijsen. ‘Ben ik dood? Ik ben dood. Ben ik dood?’
==
Achtervolgd door horzels fietste ik weg.
Ik zwoer dat ik nooit en nooit meer naar die heuvel zou gaan. Ik zou nooit meer met die idioot praten, al staken ze me de ogen uit.
Hoe kwam die idioot erbij dat hij dood was?
Iemand die leeft kan toch niet denken dat hij dood is? Wie dood is, is dood. Die is in het paradijs. Of hooguit in de hel.
En als hij nu toch eens gelijk had?
Als hij nu eens echt dood was? Als ze hem weer eens tot leven hadden gewekt? Wie? Alleen Jezus kon je tot leven wekken. En niemand anders. Maar weet je dat je dood bent geweest als je weer ontwaakt? Herinner je je het paradijs dan nog? Weet je dan nog wie je eerst was? Je wordt gek, want je hersens zijn vergaan en dan begin je over wasbeertjes te praten.
Hij was mijn tweelingbroer niet, hij was niet eens mijn broer. En papa had niks met hem te maken. Het vlees was er niet. Die pan was niet van ons. Die van ons had mama weggegooid.
En zodra papa terugkwam, vertelde ik hem alles. Zoals hij me had geleerd. En dan zou hij wel iets doen.
Ik was al bijna bij de weg toen ik aan de golfplaat dacht. Ik was weggerend en had het hol weer opengelaten.
Als Felice nog eens naar boven ging zou hij meteen doorhebben dat iemand die daar niets te maken had zijn neus in zijn zaken had gestoken. Ik kon mezelf toch niet verraden alleen omdat ik bang was voor een idioot die in een hol aan een ketting lag! Als Felice erachter kwam dat ik het was, zou hij me aan één oor meeslepen.
De Doodskop en ik waren op een keer in Felices auto gaan zitten. We speelden dat de 127 een ruimteschip was. Hij stuurde en ik schoot op de marsmannetjes. Felice had ons betrapt en ons er als konijnen aan onze oren uit gesleurd, naar het midden van de weg. We hadden wanhopig gehuild, maar hij had niet losgelaten. Gelukkig was mama naar buiten gekomen en had ze hem er met een stok van langs gegeven.
Ik wilde het liefst alles laten zoals het was, naar huis racen, me in mijn kamer opsluiten en stripboeken gaan lezen, maar ik reed terug, mezelf vervloekend.
De wolken waren verdwenen en je ontplofte van de hitte. Ik trok mijn T-shirt uit en knoopte het om mijn hoofd, als een indiaan. Ik raapte een stok op. Als ik Felice tegenkwam zou ik me verdedigen.
==
Ik probeerde zo ver mogelijk van het hol vandaan te blijven, maar ik kon het niet laten om tenminste even te kijken.
Hij zat op zijn knieën onder de deken, zijn hand uitgestoken, in dezelfde houding waarin ik hem had achtergelaten.
Ik kreeg zin om op die stomme golfplaat te springen en hem in duizend stukjes te breken, maar in plaats daarvan duwde ik hem terug en bedekte ik het gat ermee.
==
Toen ik thuiskwam stond mama af te wassen. Ze smeet de braadpan in de gootsteen. ‘Kijk eens aan wie we daar hebben!’
Ze was zo boos dat haar kaken beefden.
‘Mogen we weten waar je heen gaat? Je hebt me zo in angst laten zitten... Je vader heeft je de vorige keer geen slaag gegeven. Maar deze keer zul je ervan lusten.’
Nog voor ik tijd had om een smoesje te verzinnen zat ze al achter me aan. Ik sprong als een geit van de ene kant van de keuken naar de andere, terwijl mijn zusje aan tafel hoofdschuddend naar me keek.
‘Waar ga je heen? Kom hier!’
Ik belandde met een sprong achter de bank, glipte onder de tafel door, klauterde over de leunstoel, kroop over de grond naar mijn kamer en verstopte me onder mijn bed.
‘Kom daar vandaan!’
‘Nee, dan sla je me!’
‘Reken maar. Als je uit jezelf komt, krijg je minder slaag.’
‘Nee, ik kom niet!’
‘Ook goed.’
Een bankschroef om mijn enkel. Ik greep me met twee handen aan de poot van het bed vast, maar er was niets aan te doen. Mama was nog sterker dan Maciste en mijn vingers gleden van die rottige ijzeren poot. Ik liet los en belandde tussen haar benen. Ik probeerde opnieuw onder het bed te glippen, maar daar gaf ze me de kans niet toe, ze tilde me aan mijn broek op en nam me onder haar arm of ik een koffer was.
Ik schreeuwde: ‘Laat me los! Alsjeblieft! Laat me los!’
Ze ging op de bank zitten, nam me over de knie, trok mijn broek en mijn onderbroek omlaag terwijl ik blèrde als een lammetje, gooide haar haar naar achteren en sloeg op mijn billen tot ze rood waren.
Mama heeft altijd stevige handen gehad. Haar klappen kwamen langzaam en welgemikt en gaven een dof geluid, als een mattenklopper op een tapijt.
‘Ik heb je overal gezocht.’ Eén. ‘Niemand wist iets.’ Twee. ‘Je wordt mijn dood nog eens.’ Drie. ‘Iedereen denkt natuurlijk dat ik een waardeloze moeder ben.’ Vier. ‘Dat ik niet in staat ben om kinderen op te voeden.’
‘Hou op!’ brulde ik. ‘Hou op! Alsjeblieft, alsjeblieft, mama!’
Op de radio zong een stem. Croce, croce e delizia. Delizia al cor, kwelling, kwelling en vreugde van mijn hart.
Ik weet het nog alsof het gisteren was. Heel mijn leven lang zag ik, telkens als ik naar La Traviata luisterde, mezelf weer met mijn achterste omhoog op de schoot van mijn moeder die me, terwijl ze onaangedaan op de bank zat, een fiks pak slaag geeft.
==
‘Wat gaan we doen?’ vroeg Salvatore.
We zaten op het bankje en gooiden steentjes naar een geiser die in het graan was gegooid. Wie raak gooide, kreeg een punt. De anderen waren aan het eind van de straat verstoppertje aan het spelen.
Overdag was het winderig geweest, maar nu het begon te schemeren was het bladstil, drukkend, en boven de akkers verscheen een rand lome, loodgrijze wolken.
Ik gooide te ver. ‘Weet ik niet. Ik kan niet fietsen, mijn kont doet zeer. Mijn moeder heeft me een pak slaag gegeven.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik te laat thuiskwam. Slaat jouw moeder je ook wel eens?’
Salvatore mikte en raakte de geiser met een welluidend tok. ‘Een punt! Drie tegen een.’ Toen schudde hij zijn hoofd. ‘Nee, dat kan ze niet. Ze is veel te dik.’
‘Jij boft. Mijn moeder is juist heel sterk, ze kan wel een fiets inhalen.’
Hij moest lachen. ‘Dat kan niet.’
Ik raapte een kleinere steen op en mikte. Ditmaal bijna raak. ‘Ik zweer het. We moesten eens een keer in Lucignano de bus halen. Toen we aankwamen, reed hij net weg. Mama rende zo hard dat ze hem inhaalde en toen begon ze op de deur te bonken en zijn ze gestopt.’
‘Als mijn moeder begint te hollen valt ze dood neer.’
‘Moet je horen,’ zei ik, ‘weet je nog dat juf Destani ons dat verhaal over het wonder van Lazarus vertelde?’
‘Ja.’
‘Denk jij dat Lazarus wist dat hij dood was geweest toen hij weer opstond?’
Salvatore dacht erover na. ‘Nee, volgens mij dacht hij dat hij ziek was geweest.’
‘Maar hoe kon hij dan lopen? Het lichaam van een dode is helemaal stijf. Weet je nog hoe stijf die kat was die we hadden gevonden?’
‘Welke kat?’ Hij mikte en raakte de geiser opnieuw. Hij mikte feilloos.
‘Die zwarte kat, vlak bij de beek... Weet je nog?’
‘O ja, ik weet het al weer. De Doodskop hakte hem doormidden.’
‘Als iemand dood is en weer wordt opgewekt, loopt hij helemaal niet gewoon en dan is hij gek omdat zijn hersens verrot zijn, en dan zegt hij rare dingen, denk je niet?’
‘Zou best kunnen.’
‘Kunnen doden volgens jou weer levend worden of kan alleen Jezus zelf ons laten opstaan?’
Salvatore krabde op zijn hoofd. ‘Ik weet het niet. Mijn tante heeft me een verhaal verteld dat echt gebeurd is. Dat op een keer de zoon van iemand door een auto was overreden en dat hij dood was, net gehakt. Zijn vader kon zo niet verder leven, het ging steeds slechter met hem, hij huilde de hele dag door. Toen ging hij naar een tovenaar en die gaf hij al zijn geld om hem zijn zoon terug te geven. De tovenaar zei: “Ga naar huis en wacht af. Je zoon zal vannacht terugkomen.” De vader ging zitten wachten, maar die jongen kwam niet terug en ten slotte ging hij maar naar bed. Hij viel net in slaap toen hij voetstappen hoorde, in de keuken. Hij stond dolgelukkig op en zag zijn zoon, helemaal gehakt, en een arm was weg en zijn hoofd was opengespleten en zijn hersens dropen eruit en hij zei dat hij hem haatte omdat hij hem op straat alleen had gelaten om achter de vrouwen aan te gaan, en dat het zijn schuld was dat hij dood was.’
‘En toen?’
‘En toen heeft zijn vader benzine gepakt en hem in de fik gestoken.’
‘Maar goed ook.’ Ik gooide weer, eindelijk raak. ‘Eén punt! Vier tegen twee.’
Salvatore bukte om een steentje te zoeken. ‘Dat was maar goed ook.’
‘Maar is dat volgens jou echt gebeurd?’
‘Nee.’
‘Volgens mij ook niet.’
==
Ik werd wakker omdat ik nodig moest plassen. Mijn vader was weer thuis. Ik hoorde zijn stem in de keuken.
Er waren meer mensen. Ze maakten ruzie, vielen elkaar in de rede, scholden elkaar uit. Papa was woedend.
We waren die avond meteen na het eten gaan slapen.
Ik had als een nachtuiltje om mama heen gefladderd, om het weer goed te maken. Ik was uit mezelf de aardappelen gaan schillen, maar ze had de hele middag geen mond opengedaan. Toen we aan tafel gingen, had ze de borden met een klap voor ons neergezet en we hadden in stilte gegeten, terwijl zij door de keuken beende en naar de weg keek.
Mijn zusje sliep. Ik ging op mijn knieën op het bed zitten en keek door het raam.
De vrachtwagen stond naast een grote, donkere auto met een zilveren neus. Een rijkeluisauto.
Ik moest vreselijk nodig, maar om bij de badkamer te komen moest ik door de keuken. Ik schaamde me, met al die mensen, maar ik kon het echt niet meer ophouden.
Ik stond op en liep naar de deur. Ik pakte de deurknop en telde: ‘Een, twee, drie... vier, vijf, zes.’ Toen deed ik hem open.
==
Ze zaten aan tafel.
Italo Natale, de vader van de Doodskop. Pietro Mura, de barbier. Angela Mura. Felice. Papa. En een oude man die ik nog nooit had gezien. Dat moest Sergio zijn, papa’s vriend.
Ze zaten te roken. Hun gezichten zagen er rood en moe uit, hun ogen waren piepklein.
Op de tafel allemaal lege flessen en asbakken vol peuken, pakjes Nazionale en Milde Sorte, hompen brood. De ventilator draaide maar het hielp niet. Het was om te sterven van de hitte. De televisie stond aan, zonder geluid. Het rook naar tomaten, zweet en muggengif.
Mama was koffie aan het zetten.
Ik keek naar de oude man, die een sigaret uit een pakje Dunhill haalde.
Later hoorde ik dat hij Sergio Materia heette. Hij was toen zevenenzestig en kwam uit Rome, waar hij twintig jaar eerder berucht was geworden door een roofoverval op een bontwinkel op Monte Mario en door een aanslag op het hoofdkantoor van de Boerenleenbank. Een week na de overval had hij op piazza Bologna een snackbar annex lunchroom gekocht. Hij wilde het geld witwassen, maar de politie had hem opgepakt, precies op de dag van de opening. Hij had een flinke tijd gezeten, was wegens goed gedrag vrijgekomen en naar Zuid-Amerika geëmigreerd.
Sergio Materia was mager. Met een kale kop. Boven zijn oren groeiden wat schaarse vaalblonde haren, die hij in een staart droeg. Hij had een lange neus, diepliggende ogen, en zijn ingevallen wangen werden hier en daar opgeluisterd door een witte baard van minstens een paar dagen. Zijn lange, lichtblonde wenkbrauwen leken plukjes haren die op zijn gezicht waren geplakt. Zijn hals was gerimpeld, vol vlekken, alsof ze hem met bleekwater hadden bewerkt. Hij droeg een donkerblauw pak en een zachtbruin zijden overhemd. Op zijn glimmende kale hoofd zat een gouden bril en tussen zijn borstharen zag je nog net een gouden ketting met een zon. Om zijn pols zat een massief gouden horloge.
Hij was razend. ‘Jullie hebben al vanaf het begin de ene stommiteit na de andere begaan.’ Hij praatte raar. ‘En die daar is een klootzak...’ Hij wees naar Felice. Hij keek naar hem zoals je naar een hondendrol kijkt. Hij pakte een tandenstoker en begon zijn gele tanden schoon te maken.
Felice zat over de tafel gebogen met zijn vork op het tafelkleed te tekenen. Precies zijn broer als hun moeder hem de huid vol schold.
De oude man krabde aan zijn hals. ‘Ik heb daarginds wel gezegd dat we jullie niet konden vertrouwen. Jullie kunnen het gewoon niet. Het was een klote-idee. Jullie hebben de ene stomme streek na de andere uitgehaald. Jullie spelen met vuur. Als alles was gegaan zoals het had moeten gaan, had ik nu in Brazilië gezeten in plaats van in dit rotgat.’
Papa liet het niet op zich zitten. ‘Hé, Sergio, luister nou eens... Rustig aan... De zaak is nog niet...’
Maar de oude man legde hem het zwijgen op. ‘Welke zaak godverdomme? Jij moet je bek houden want je bent nog erger dan de rest. En weet je waarom? Omdat je niet nadenkt. Dat kun je niet. Alsof er geen vuiltje aan de lucht was, heb je de ene blunder na de andere begaan. Imbeciel.’
Papa wilde eerst nog antwoord geven, maar slikte het in en sloeg zijn ogen neer.
Die man had hem een imbeciel genoemd.
Het was of ze een dolk in mijn lijf hadden gestoken. Zo had nog nooit iemand tegen papa gepraat. Papa was de baas van Acqua Traverse. En nu schold die vreselijke kerel, die weet ik waar vandaan kwam, hem in ieders bijzijn uit.
Waarom joeg papa hem niet weg?
Plotseling zei niemand meer iets. Ze zwegen, terwijl die oude kerel weer tussen zijn tanden begon te peuteren en naar de lamp keek.
Hij was net als de keizer. Als de keizer een slecht humeur heeft moet iedereen zijn mond houden. Papa incluis.
‘Het journaal! Kijk, het journaal!’ zei Barbara’s vader, op zijn stoel heen en weer schuivend.
‘Harder! Teresa, harder! En doe het licht uit,’ zei papa tegen mama.
Bij mij thuis ging altijd het licht uit als we televisie keken. Dat moest. Mama wist niet hoe gauw ze bij de volumeknop moest komen en toen bij de lichtschakelaar.
Het werd schemerig in de kamer. Iedereen draaide zich om naar de televisie. Alsof Italië speelde.
Verstopt achter de deur zag ik hoe ze in donkere silhouetten veranderden, blauwgekleurd door het scherm.
De verslaggever had het over een botsing tussen twee treinen, vlak bij Florence. Er waren doden gevallen, maar dat interesseerde niemand.
Mama deed suiker in de koffie. En allemaal om beurten: ‘Voor mij eentje, voor mij twee, voor mij zonder.’
Barbara’s moeder zei: ‘Misschien zeggen ze er niets over. Gisteren zeiden ze ook niets. Misschien is het geen nieuws meer.’
‘Hou je kop!’ snoof de oude man.
Dit was het goede moment om te gaan plassen. Ik hoefde alleen maar naar de kamer van mijn vader en moeder. Daarvandaan kon je naar de badkamer, en dan deed ik het wel in het donker.
Ik stelde me voor dat ik een zwarte panter was en sloop op handen en voeten mijn kamer uit. Ik was bijna veilig, op een paar meter na, toen de vader van de Doodskop van de bank opstond en op me af kwam.
Ik ging plat op de grond liggen. Italo Natale pakte een sigaret van de tafel en ging weer op de bank zitten. Ik haalde diep adem en kroop verder. Daar was de deur, de list was gelukt, ik was er. Ik haalde net opgelucht adem toen iedereen begon te roepen. ‘Kijk! Kijk!’ ‘Stil, hou je mond!’
Ik stak mijn hals om de hoek van de bank en mijn hart stokte in mijn keel.
Achter de nieuwslezer zag ik de foto van de jongen.
De jongen in het hol.
Hij was blond. Helemaal schoon, netjes gekamd, mooi, met een geruite bloes aan. Hij glimlachte en had de locomotief van een elektrische trein in zijn handen.
De nieuwslezer ging door: ‘Het zoeken naar de kleine Filippo Carducci, de zoon van de Lombardijse industrieel Giovanni Carducci, die twee maanden geleden in Pavia is ontvoerd, gaat onverminderd door. Carabinieri en rechercheurs volgen een nieuw spoor dat mogelijk...’
Meer hoorde ik niet.
Ze schreeuwden. Papa en de oude man stonden op.
De jongen heette Filippo. Filippo Carducci.
‘Hier volgt een vanochtend opgenomen oproep van signora Luisa Carducci aan de ontvoerders.’
‘Wat wil die stomme teef nou?’ zei papa.
‘Hoer, vuile hoer!’ gromde Felice ook nog eens.
Zijn vader gaf hem een klap. ‘Hou je kop!’
Barbara’s moeder deed ook een duit in het zakje: ‘Ezel!’
‘Godverdegodver! Hou op!’ krijste de oude man. ‘Ik wil het horen!’
Er verscheen een vrouw. Elegant, blond, niet jong en ook niet oud, maar wel mooi. Ze zat in een grote leren fauteuil in een kamer vol boeken. Haar ogen waren vochtig. Ze klemde haar handen ineen alsof ze anders zouden ontsnappen.
Ze haalde haar neus op en zei, ons recht aankijkend: ‘Ik ben de moeder van Filippo Carducci en richt me tot de ontvoerders van mijn zoon. Doe hem alsjeblieft geen kwaad. Het is een lief kind, rustig en erg verlegen. Alsjeblieft, behandel hem goed. Ik durf een beroep te doen op jullie liefde en begrip. Jullie kunnen je vast en zeker voorstellen wat het betekent als je kinderen van je worden afgenomen, ook al hebben jullie ze zelf misschien niet. De losprijs die jullie hebben gevraagd, is erg hoog, maar mijn man en ik zijn bereid jullie alles te geven wat we bezitten om Filippo terug te krijgen. Jullie hebben gedreigd zijn oor af te snijden. Ik bid, ik smeek jullie om dat niet te doen...’
Ze droogde haar ogen af, haalde adem en ging verder: ‘We doen wat we kunnen. Alsjeblieft. God zal jullie belonen als jullie barmhartigheid tonen. Zeg tegen Fillipo dat zijn papa en zijn mama hem niet zijn vergeten en dat ze veel van hem houden.’
Papa maakte met zijn vingers een knipgebaar.
‘We knippen twee oren af. Alletwee.’
De oude man voegde eraan toe: ‘We zullen je leren om verhaaltjes op de tv te vertellen, smerige teef!’
Toen begonnen ze allemaal weer te schreeuwen.
==
Ik glipte mijn kamer in, deed de deur dicht, klom op de vensterbank en plaste omlaag.
Papa en de anderen hadden die vrouw op de televisie haar kind afgepakt.
Mijn plas klaterde op het dekzeil van de vrachtwagen en de druppels glinsterden in het licht van de straatlantaarn.
‘Denk erom, Michele, je mag ’s nachts niet naar buiten,’ zei mama altijd tegen me. ‘Als het donker is, komt de zwarte man en die pakt kleine kinderen en verkoopt ze aan de zigeuners.’
Papa was de zwarte man.
Overdag was hij aardig, maar ’s nachts was hij slecht.
De anderen waren allemaal zigeuners. Als gewone mensen verklede zigeuners. En die oude man was de zigeunerkoning en papa was zijn dienaar. Maar mama niet.
Ik had altijd gedacht dat zigeuners een soort supersnelle kaboutertjes waren, met vossenoren en kippenpootjes. Maar het waren normale mensen.
Waarom gaven ze hem niet terug? Wat hadden ze aan zo’n gekke jongen? Filippo’s mama was verdrietig, dat zag je zo. Dat ze dat op de tv vroeg, wilde zeggen dat ze heel veel van hem hield.
En toch wilde papa zijn oren afsnijden.
‘Wat ben je aan het doen?’
Maria was wakker geworden.
Ik deed mijn piemel weer in mijn onderbroek.
‘Niks.’
‘Je stond te plassen, ik zag het wel.’
‘Ik moest zo nodig.’
‘Wat is er aan de hand?’
Als ik tegen Maria zei dat papa de zwarte man was, werd ze natuurlijk woest. Ik haalde mijn schouders op.
‘Niks.’
‘Waarom maken ze dan ruzie?’
‘Zomaar.’
‘Hoe bedoel je zomaar?’
Ik gokte maar wat. ‘Ze doen tombola.’
‘Tombola?’
‘Ja. Ze maken ruzie over wie de nummers mag oplezen.’
‘Wie wint?’
‘Sergio, papa’s vriend.’
‘Is die er al?’
‘Ja.’
‘Hoe ziet hij eruit?’
‘Oud. Ga nou maar slapen.’
‘Dat gaat niet. Het is veel te warm. En zo’n herrie. Wanneer gaan ze weg?’
In de kamer ernaast schreeuwden ze nog steeds.
Ik liet me van de vensterbank zakken.
‘Weet ik niet.’
‘Michele, wil je een verhaaltje vertellen, dat ik weer kan slapen?’
Papa vertelde ons altijd verhalen over Agnolotto in Afrika. Agnolotto was een hondje uit de stad dat zich in een koffer had verstopt en per ongeluk in Afrika terechtkwam, bij de leeuwen en de olifanten. We waren dol op dat verhaal. Agnolotto liet zich zelfs door de jakhalzen niet op zijn kop zitten. Hij had een marmot als vriend. Altijd als papa thuiskwam, vertelde hij een nieuwe aflevering.
Het was de eerste keer dat Maria mij vroeg haar een verhaaltje te vertellen, en ik voelde me zeer vereerd. De pech was dat ik er geen kende.
‘Eh... ik ken er geeneen,’ moest ik bekennen.
‘Wel waar. Je kent er heus wel een.’
‘Welk dan?’
‘Weet je nog dat verhaal dat Barbara’s mama ons een keer vertelde? Dat over Pierino Pierone?’
‘O, dat!’
‘Wil je dat vertellen?’
‘Best, maar ik weet het niet meer helemaal.’
‘Ga je het in de tent vertellen?’
‘Goed.’ Zo hoorden we tenminste het gekrijs in de keuken niet. Ik ging bij mijn zusje in bed liggen en we trokken het laken over ons hoofd.
‘Begin maar,’ fluisterde ze in mijn oor.
‘Nou, er was eens een jongen, Pierino Pierone, die altijd in bomen klom om het fruit op te eten. Op een keer zat hij bovenin toen Pukkelien de heks eraan kwam. Die zei: “Pierino Pierone, geef me eens een peer, ik heb zo’n vreselijke honger,” en Pierino Pierone gooide een peer naar haar.’
Ze viel me in de rede. ‘Je hebt nog niet verteld hoe Pukkelien eruitzag.’
‘Klopt. Ze is oerlelijk. Geen haar op haar hoofd. Ze heeft een staart, net als een paard, en een verschrikkelijk lange neus. Ze is heel groot en ze eet kleine kinderen op. En ze is getrouwd met de zwarte man...’
Onder het vertellen zag ik voor me hoe papa Filippo’s oren afsneed en in zijn zak stopte. En ze aan het spiegeltje in de vrachtwagen hing, als een soort marterstaart.
‘Nietes, ze is niet getrouwd. Je moet het goed vertellen. Ik ken dat verhaal ook.’
‘Pierino Pierone gooide een peer, en die kwam in een koeienvlaai terecht.’
Maria begon te lachen. Alles wat over poep ging, vond ze leuk.
‘Pukkelien zei nog een keer: “Pierino Pierone, geef me een peer, ik heb zo’n vreselijke honger.” “Neem deze maar!” En hij gooide de peer in de koeienpis, zodat hij helemaal smerig was.’
Nog meer geproest.
‘De heks vroeg het voor de derde keer. En toen gooide hij een peer in de koeienkots.’
Ze gaf me een por met haar elleboog. ‘Dat staat er niet. Dat mag niet. Doe niet zo stom.’
Bij mijn zusje mag je helemaal niks aan een verhaal veranderen. ‘En toen...’
Wat voerden ze daar toch uit? Ze hadden zeker een bord stukgegooid. Ik ging harder praten. ‘Toen klom Pierino Pierone uit de boom en gaf hij haar een peer. Pukkelien greep hem vast, deed hem in een zak en hing die over haar schouder. Omdat Pierino Pierone paprika’s had gegeten, die nogal zwaar op de maag liggen, kon de heks hem bijna niet tillen, en om de vijf minuten moest ze stilstaan, en op een gegeven moment moest ze plassen, en toen liet ze de zak los en kroop ze achter een boom. Pierino Pierone beet het touw door, kroop uit de zak en stopte er een wasbeertje in...’
‘Een wasbeertje?’
Dat had ik expres gezegd, om te zien of Maria die kende.
‘Ja, een wasbeertje.’
‘Wat is dat?’
‘Dat zijn beertjes die je kleren voor je komen wassen als je ze bij een rivier neerlegt.’
‘Waar leven die?’
‘In het Noorden.’
‘En toen?’ Maria wist dat Pierino Pierone een steen in de zak had gedaan, maar toch zei ze niks.
‘Pukkelien pakte de zak en hees hem weer op haar rug, en toen ze thuiskwam, zei ze tegen haar dochter: “Margherita Margherito, kom eens hier, doe de deur open voor mijn plezier, zet de braadpan op het vuur en kook Pierino Pierone gaar in een uur.” Margherita Margherito zette het water op het vuur en Pukkelien kiepte de zak om en het wasbeertje sprong eruit en begon ze alletwee te bijten. Hij rende naar het erf, begon de kippen op te vreten en gooide alle rommel in de lucht. De heks werd verschrikkelijk woest en ging weer op zoek naar Pierino Pierone. Ze vond hem, stopte hem in de zak en bleef nergens meer treuzelen. Toen ze thuiskwam zei ze tegen Margherita Margherito: ‘Neem hem mee en sluit hem op in de kelder, dan kunnen we hem morgen opeten...’
Ik hield op.
Maria sliep en het was een rotverhaal.
5
De volgende ochtend zag ik de oude man in de badkamer terug.
Ik deed de deur open en daar stond hij zich te scheren, over de wastafel gebogen, met zijn hoofd tegen de spiegel en een peuk die tussen zijn lippen bungelde. Hij had een versleten hemd aan en een vergeelde onderbroek, waar twee magere, onbehaarde stelten onderuitstaken. Aan zijn voeten zaten zwarte laarzen met de rits omlaag.
Er hing een zurige lucht om hem heen, verdoezeld door talkpoeder en aftershave.
Hij draaide zich naar mij om en bekeek me van top tot teen, met dikke ogen, een wang vol schuim en zijn scheermes in zijn hand. ‘En wie ben jij?’
Ik zette mijn vinger op mijn borst. ‘Ik?’
‘Ja, jij.’
‘Michele... Michele Amitrano.’
‘Ik ben Sergio. Goeiemorgen.’
Ik stak mijn hand uit. ‘Aangenaam.’ Op school hadden ze me geleerd om zo te antwoorden.
De oude man maakte het scheermes met water schoon. ‘Weet je niet dat je moet kloppen voor je de wc ingaat? Hebben je ouders je dat niet geleerd?’
‘O, sorry.’ Ik wilde weggaan maar bleef stokstijf staan. Zoals wanneer je iemand ziet die ongelukkig is en je toch blijft kijken, ook al wil je niet.
Hij ging weer verder met het scheren van zijn hals. ‘Ben jij Pino’s zoontje?’
‘Ja.’
Hij keek me in de spiegel onderzoekend aan. ‘Niet echt een prater, hè?’
‘Nee.’
‘Ik hou van rustige kinderen. Heel goed. Dat betekent dat je niet op je vader lijkt. Ben je ook gehoorzaam?’
‘Ja.’
‘Verdwijn dan en doe de deur achter je dicht.’
==
Ik rende naar mama. Ze was in mijn kamer en haalde de lakens van Maria’s bed. Ik trok aan haar jurk. ‘Mama! Mama! Wie is die oude man in de badkamer?’
‘Laat me met rust, Michele, ik ben bezig. Dat is Sergio, de vriend van je vader. Papa heeft tegen je gezegd dat hij zou komen. Hij blijft een paar dagen bij ons.’
‘Waarom?’
Ze tilde de matras op en keerde hem om. ‘Omdat je vader dat heeft besloten.’
‘Waar slaapt hij dan?’
‘In het bed van je zusje.’
‘En zij?’
‘Bij ons.’
‘En ik?’
‘In je eigen bed.’
‘Slaapt die oude man dan bij mij in de kamer?’
Mama zuchtte: ‘Ja.’
‘’s Nachts?’
‘Wat klets je toch? Overdag soms?’
‘Kan Maria niet bij die man? Dan slaap ik bij jou.’
‘Niet van die gekke dingen zeggen.’ Ze stopte de schone lakens in. ‘Ga maar naar buiten, ik ben bezig.’
Ik liet me op de grond vallen en klemde me vast aan haar enkels. ‘Mama, toe, alsjeblieft, ik wil niet bij die oude man slapen. Alsjeblieft, ik wil bij jou. In jouw bed.’
Ze brieste. ‘Geen sprake van. Daar ben je te groot voor.’
‘Mama, alsjeblieft, ik kruip in een hoekje. Ik maak me heel klein.’
‘Ik zei nee.’
‘Toe nou.’ Ik begon te dreinen: ‘Alsjeblieft, ik zal heel stil zijn. Dat zul je zien.’
‘Hou op!’ Ze trok me overeind en keek me in de ogen. ‘Michele, ik weet niet meer wat ik met jou aan moet. Waarom luister je nooit? Ik kan er niet meer tegen. We hebben al zoveel problemen en dan begin jij ook nog eens. Je begrijpt het niet. Alsjeblieft...’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik wil niet. Ik wil niet bij die man slapen. Ik ga daar niet slapen.’
Ze haalde het sloop van het kussen. ‘Zo staan de zaken. Als het je niet bevalt, zeg je het maar tegen je vader.’
‘Maar die man neemt me mee...’
Mama stopte met het bed en draaide zich om. ‘Wat zei je daar? Zeg dat nog eens?’
Ik fluisterde: ‘Hij neemt me mee...’
Ze keek me vorsend aan met haar donkere ogen. ‘Wat bedoel je?’
‘Jullie willen dat hij me meeneemt... Je hebt een hekel aan me. Je bent gemeen. Papa en jij hebben een hekel aan me. Dat weet ik heus wel.’
‘Wie maakt je dat soort dingen wijs?’ Ze pakte me bij mijn arm maar ik rukte me los en maakte me uit de voeten.
Ik rende de trap af en hoorde dat ze me riep.
‘Michele! Michele, kom hier!’
‘Ik slaap daar niet. Nee, ik ga niet bij die man slapen.’
==
Ik rende weg, naar de beek, en klom in de johannesbroodboom.
Ik zou nooit bij die man slapen. Hij had Filippo gepakt. En zo gauw ik sliep zou hij mij ook pakken. Dan zou hij me in een zak stoppen en meenemen. En mijn oren afsnijden.
Kon je eigenlijk wel zonder oren leven? Ging je dan niet dood? Ze moesten van mijn oren afblijven. Papa en die oude man hadden Filippo’s oren vast en zeker al afgesneden. Terwijl ik in mijn boom zat had hij, in dat hol, geen oren meer.
Zouden ze zijn hoofd wel verbonden hebben?
Ik moest erheen. En ik moest hem vertellen over zijn moeder die nog steeds heel veel van hem hield en dat op de televisie had gezegd, zodat iedereen het wist.
Maar ik was bang. Als ik papa en die oude man nou eens bij dat huis vond?
Ik keek naar de horizon. De hemel was plat, grijs, en hing laag boven de korenvelden. De heuvel lag ginds, reusachtig groot, onder een waas van hitte.
Als ik voorzichtig doe, zien ze me niet, zei ik tegen mezelf.
‘O, partigiano, portami via, che mi devon seppellir. O partigiano, portami via. O bella ciao...’ ik hoorde de stem van iemand die zong.
Ik keek omlaag. Barbara Mura sleepte Togo achter zich aan, ze had een touw om zijn nek gebonden en trok hem naar het water. ‘Mama doet je lekker in bad. Straks ben je helemaal schoon. Vind je dat fijn? Natuurlijk vind je dat fijn.’ Maar Togo zag er allesbehalve blij uit. Met zijn achterste op de grond zette hij zich schrap en hij zwaaide met zijn kop in een poging zich van de lus te bevrijden. ‘Straks ben je heel mooi. Dan mag je mee naar Lucignano. Daar gaan we een ijsje eten en dan koop ik een halsband voor je.’ Ze pakte hem stevig vast, zoende hem, trok haar sandalen uit, zette een paar stappen in de poel en duwde hem in de stinkende blubber.
Togo begon zich los te wurmen, maar Barbara hield hem stevig vast, bij zijn nekvel en zijn staart. Ze duwde hem onder water, ik zag hem in de prut verdwijnen.
Ze zong weer: ‘Una mattina mi son sveglata. O bella ciao! Bella ciao! Bella ciao ciao ciao!’
Ze hield hem kopje-onder.
Ze wilde hem vermoorden.
Ik brulde: ‘Wat doe je nou! Laat los!’
Barbara sprong overeind en het scheelde maar een haartje of ze was in het water gevallen. Ze liet de hond los, die boven kwam en op de kant krabbelde.
Met één sprong was ik uit de boom.
‘Wat doe jij daar?’ vroeg Barbara spinnijdig.
‘Wat deed je met dat beest?’
‘Niks. Ik waste hem.’
‘Nietes. Je wilde hem doodmaken.’
‘Nietes!’
‘Zweer het.’
‘Dat zweer ik bij God en alle heiligen!’ Ze legde een hand op haar hart. ‘Hij wordt helemaal opgevreten door de vlooien en de teken. Daarom deed ik hem in bad.’
Ik wist niet of ik haar moest geloven.
Ze pakte Togo, die opgetogen op een steen zat te kwispelen. De vreselijke ervaring al helemaal vergeten. ‘Kijk zelf maar of het waar is wat ik zeg.’ Ze tilde een oor op.
‘Gatver, wat smerig.’
Om de oorschelp heen, en ook erin, wemelde het van de teken. Mijn maag draaide om in mijn lijf. Hun kopjes staken diep in de huid, ze hadden zwarte pootjes en een donkerbruine buik, zo dik en rond als een chocolade-eitje.
‘Zie je wel? Ze zuigen zijn bloed op.’
Ik trok mijn neus op. ‘En in de modder gaan ze weg?’
‘Op de televisie zei Tarzan dat olifanten een modderbad nemen om de beestjes van hun rug te krijgen.’
‘Maar Togo is geen olifant.’
‘Wat maakt dat uit? Hij is wel een beest.’
‘Volgens mij moet je ze uitknijpen,’ zei ik. ‘Met modder krijg je ze niet weg.’
‘Hoe dan?’
‘Met je handen.’
‘En wie doet dat dan? Ik vind het eng.’
‘Ik probeer het wel.’ Met twee vingers pakte ik een flinke dikkerd, deed mijn ogen dicht en gaf een ruk. Togo jankte, maar het monster liet los. Ik legde het op een steen en we keken ernaar. Het zwaaide met zijn pootjes, maar kon niet wegkomen omdat het barstensvol bloed zat.
‘Je moet dood, vampier! Je moet dood!’ Barbara vermorzelde hem met een steen, zodat hij in een rood kloddertje veranderde.
Ik heb er minstens twintig losgetrokken. Barbara hield de hond voor me vast. Na een poosje had ik er genoeg van. Ook Togo kon er niet meer tegen. Hij jankte al als ik maar naar hem wees. ‘De andere trekken we de volgende keer wel los. Goed?’
‘Best.’ Barbara keek om zich heen. ‘Ik ga weer. En jij?’
‘Ik blijf nog even.’ Zodra ze weg was, wilde ik de Scassona pakken en naar Filippo gaan.
Ze deed het touw weer om Togo’s hals.
‘Dan zien we elkaar straks?’ zei ze toen ze wegliep.
‘Ja.’
Ze stond stil. ‘Er is iemand bij jullie thuis. Met die grijze auto. Is dat familie?’
‘Nee.’
‘Hij kwam vandaag ook naar ons.’
‘Wat wilde hij?’
‘Weet ik niet. Hij praatte met papa. Toen gingen ze weg. Volgens mij was jouw vader er ook bij. In die grote auto.’
Natuurlijk. Ze gingen Filippo’s oren afsnijden.
Ze trok een gezicht en vroeg: ‘Vond jij hem aardig?’
‘Nee.’
‘Ik ook niet.’
Ze was even stil. Het leek wel of ze niet weg wilde. Ze draaide zich om en fluisterde: ‘Bedankt.’
‘Waarvoor?’
‘Voor de vorige keer... Toen jij de straf in mijn plaats hebt gedaan.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Maakt niet uit.’
‘Moet je horen.’ Ze werd vuurrood, keek me een seconde lang aan en zei: ‘Wil je met me gaan?’
Mijn gezicht werd gloeiend heet. ‘Wat?’
Ze boog haar hoofd om Togo te aaien. ‘Met mij gaan.’
‘Jij en ik?’
‘Ja.’
Ik sloeg mijn ogen neer en keek naar de neuzen van mijn schoenen. ‘Mmm, ik weet niet...’
Ze liet een ingehouden zucht ontsnappen. ‘Geeft niet. We zijn toch niet even oud.’ Ze haalde een hand door haar haar. ‘Nou, dag.’
‘Dag.’
Ze ging weg, met Togo achter zich aan.
==
Zomaar opeens werd ik bang van adders.
Tot dan toe had ik zelfs nooit aan adders gedacht als ik de heuvel opklom.
Telkens weer zag ik het beeld voor me van de brak die in april door een adder in zijn neus was gebeten. Het arme beest had naar adem snakkend en met starre ogen in een hoek van de schuur gelegen, met het schuim op zijn bek en zijn tong naar buiten.
‘Niks meer aan te doen,’ had de vader van de Doodskop gezegd. ‘Het gif zit al in zijn hart.’
We stonden er in een kring omheen naar te kijken.
‘Laten we hem naar Lucignano brengen, naar de dierenarts,’ had ik voorgesteld.
‘Weggegooid geld. Dat is een dief, die vent. Hij geeft een injectie met water en dan krijg je een dooie hond terug. Weg jullie, schiet op, laat hem maar rustig doodgaan.’ Hij had ons naar buiten geduwd. Maria was gaan huilen.
Ik kroop door het graan en had het gevoel dat ik overal slangen zag schuifelen. Ik sprong op en neer als een kwartel en sloeg in het wilde weg met een dikke stok op de grond, terwijl overal krekels en sprinkhanen wegvluchtten.
De zon prikte op mijn hoofd en in mijn nek, er stond geen zuchtje wind en in de verte hing een waas over de vlakte.
Toen ik bij de rand van het dal was, kon ik niet meer. Een beetje schaduw en een slok water, dan ging het wel weer, dus liep ik het bosje in.
Maar het was niet helemaal zoals anders. Ik stond stil.
Door de vogels, de krekels en de cicades heen hoorde ik muziek.
Bliksemsnel verstopte ik me achter een boomstam.
Daarvandaan kon ik niks zien, maar het leek wel of de muziek uit het huis kwam.
Eigenlijk moest ik maken dat ik wegkwam, maar mijn nieuwsgierigheid dwong me een kijkje te gaan nemen. Als ik voorzichtig was en tussen de bomen bleef, zouden ze me niet zien. Telkens wegduikend achter de eiken naderde ik de open plek.
De muziek klonk harder. Het was een bekend lied, ik had het al heel vaak gehoord. Het werd gezongen door een blonde vrouw en een elegante man. Ik had ze op de televisie gezien. Ik vond het mooi.
Precies aan de rand van de open plek lag een met groen mos begroeid rotsblok, een goede schuilplaats, en ik kroop erachter weg.
Ik stak mijn hals uit en keek.
Voor het huis stond de 127 van Felice geparkeerd, portieren en achterklep open. De muziek kwam uit de autoradio. Het geluid was slecht, het kraakte.
Felice kwam uit de stal, in zijn onderbroek. Aan zijn voeten had hij soldatenkistjes en om zijn hals zijn eeuwige zwarte zakdoek. Hij danste met gespreide armen en heupwiegde als een buikdanseres.
‘Verander nooit, verander nooit, verander nooit...’ zong hij met een falsetstem met de radio mee.
Toen stond hij stil en zong met een zware stem verder.
‘Je bent mijn gisteren, mijn vandaag. Je bent mijn eeuwigheid, laat me geen rust.’
En toen weer als vrouw: ‘Nu kun je het toch wel proberen. Noem me je noodlot, laat je niet weerhouden.’
Hij wees op een of ander ding. ‘Je bent als de wind die rozen en viooltjes meevoert.’
‘Woorden woorden woorden...’
‘Luister naar me.’
‘Woorden woorden woorden...’
‘Alsjeblieft.’
Hij was fantastisch. Hij deed alles zelf. De man en de vrouw. En als man deed hij heel stoer. Met toegeknepen ogen en zijn mond halfopen.
‘Woorden woorden woorden...’
‘Ik zweer het je.’
Toen liet hij zich op de grond vallen, in het stof, en begon zich op te drukken. Met twee armen, met één arm, en zo, gespannen als een boog, zong hij verder.
‘Woorden, woorden, woorden, woorden woorden, alleen maar woorden, woorden tussen ons.’
Ik ging maar weg.
==
In Acqua Traverse waren ze Annemaria koekoek aan het spelen. De Doodskop, Barbara en Remo stonden doodstil in de brandende zon, in vreemde houdingen.
Salvatore, met zijn hoofd tegen de muur, riep: ‘Annemaria koekoek!’ Hij draaide zich om en zag de Doodskop bewegen.
De Doodskop overdreef altijd, in plaats van drie stappen zette hij er wel vijftien, en dan was hij erbij. Dan wist hij nooit waar je het over had. Je zei dat je hem had gezien, maar hij luisterde toch niet. Volgens hem speelde de hele wereld vals. Hij niet. Hij was een heilige. En als je er iets van zei begon hij je te stompen. Wat je ook deed, hij won altijd. Zelfs van poppen zou hij nog winnen.
Langzaam fietste ik tussen de huizen door. Ik was moe en kwaad. Ik had Filippo niets over zijn mama kunnen zeggen.
Papa’s vrachtwagen stond voor het huis, naast de grijze bestelwagen van die oude man.
Ik had honger. Ik was zonder ontbijt weggeglipt. Maar veel zin om naar boven te gaan had ik niet.
De Doodskop kwam op me af. ‘Waar zat je nou?’
‘Een eindje rijden.’
‘Jij gaat altijd in je eentje. Waar ga je dan heen?’ Hij vond het maar niks als je je eigen gangetje ging.
‘Naar de beek.’
Hij keek me wantrouwig aan. ‘Wat doen?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Niks. In de boom klimmen.’
Hij trok een vies gezicht, als iemand die in een rotte appel heeft gehapt.
Togo kwam eraan en begon in mijn wiel te bijten.
De Doodskop gaf hem een schop. ‘Donder op, rothond. Hij bijt je buitenband aan flarden met die klotetanden.’
Togo vloog naar Barbara, die op het muurtje zat, en sprong in haar armen. Barbara zei me gedag. Ik stak mijn hand naar haar op.
De Doodskop nam het tafereeltje goed in zich op. ‘Ben je nu de vriend van die big?’
‘Nee...’
Hij keek me vorsend aan om te zien of ik de waarheid sprak.
‘Nee, ik zweer het!’
Hij ontspande. ‘O, nou, heb je zin in een partijtje voetbal?’
Daar had ik helemaal geen zin in, maar nee zeggen was gevaarlijk. ‘Is het niet te heet?’
Hij pakte mijn stuur. ‘Je bent een zeikerd, weet je dat?’
Ik was bang. ‘Waarom?’
De Doodskop kon plotseling woest worden en je van je fiets trekken en in elkaar slaan.
‘Daarom.’
Gelukkig verscheen Salvatore net. Hij liet de bal op zijn hoofd stuiteren. Toen ving hij hem met zijn voet op en nam hij hem onder zijn arm. ‘Hai, Michele.’
‘Hai.’
De Doodskop vroeg: ‘Heb jij zin om mee te doen?’
‘Nee.’
De Doodskop kreeg de pest in. ‘Stelletje klerelijers. Weten jullie wat ik doe? Ik ga naar Lucignano.’ En weg was hij, witheet.
We moesten allebei lachen, toen zei Salvatore: ‘Ik ga naar huis. Ga je mee, dan gaan we met mijn voetbalspel spelen.’
‘Ik heb niet zo’n zin.’
Hij gaf een klopje op mijn schouder. ‘Best, dan zien we elkaar straks wel, dag.’ Met de bal stuiterend liep hij weg.
Ik vond Salvatore aardig. Ik vond het prettig dat hij altijd rustig bleef en niet om de vijf minuten kwaad werd. Met de Doodskop moest je je wel drie keer bedenken voordat je iets zei.
Ik fietste door, naar de pomp.
Maria had het geblutste teiltje gepakt en gebruikte het als zwembadje voor haar barbies.
Ze had er twee, een gewone en een pikzwarte, waarvan een arm loshing en het haar was verdwenen.
Die had ik zo toegetakeld. Op een avond had ik op de televisie het verhaal van Jeanne d’Arc gezien, en toen had ik de barbie gepakt en in het vuur gegooid, terwijl ik brulde: ‘Branden zul je, heks, branden zul je!’ Toen ik merkte dat ze echt brandde, had ik een voetje gegrepen en haar in de pan met minestrone gegooid.
Mama had mijn fiets een week lang achter slot en grendel gezet en me gedwongen alle minestrone alleen op te eten. Maria had haar gesmeekt een nieuwe voor haar te kopen. ‘Voor je verjaardag. Speel voorlopig maar met deze. Je moet bij dat halvegare broertje van je zijn.’ Maria had van de nood een deugd gemaakt. De mooie barbie noemde ze Paola en de verbrande Assepoester.
‘Hai, Maria,’ zei ik toen ik afstapte.
Ze hield haar hand boven haar ogen tegen de zon. ‘Papa liep je te zoeken... mama is kwaad.’
‘Weet ik.’
Ze pakte Assepoester en legde haar in het zwembadje. ‘Je maakt haar altijd boos.’
‘Ik ga naar boven.’
‘Papa zei dat hij met Sergio moet praten en niet wil dat wij in de weg lopen.’
‘Maar ik heb honger...’
Ze haalde een abrikoos uit haar broekzak. ‘Wil je deze?’
‘Ja.’ Hij was warm en zacht, maar ik at hem in één hap op en spuugde de pit ver weg.
Papa kwam het terras op, zag me en riep: ‘Michele, kom eens hier.’ Hij droeg een overhemd en een korte broek.
Ik wilde er niet over praten. ‘Kan niet, ik moet nog iets doen.’
Hij maakte een gebaar dat ik boven moest komen. ‘Kom hier.’
Ik zette mijn fiets tegen de muur en ging gedwee, met gebogen hoofd, de trap op.
Papa ging op de bovenste tree zitten. ‘Kom eens hier, naast me.’ Hij haalde een pakje Nazionale uit zijn borstzakje, pakte een sigaret, deed die in het pijpje en stak hem aan.
‘We moeten eens praten, jij en ik.’
Hij leek me niet echt woedend.
We bleven stil zitten kijken naar de gele akkers voorbij de daken.
‘Warm hè,’ zei hij.
‘Nou.’
Hij blies een rookwolk weg. ‘Waar zit jij de hele dag, mogen we dat weten?’
‘Nergens.’
‘Onzin. Je gaat wel degelijk ergens heen.’
‘Rondrijden in de buurt.’
‘Alleen?’
‘Ja.’
‘Wat is er aan de hand? Vind je het niet leuk met je vriendjes?’
‘Best wel. Maar ik vind het ook leuk om alleen te zijn.’
Hij knikte van ja, zijn ogen in de leegte. Ik keek naar hem op. Hij leek ouder geworden, tussen zijn zwarte haren zag ik hier en daar een grijze, zijn wangen waren ingevallen en hij zag eruit alsof hij een week niet had geslapen.
‘Je hebt je moeder boos gemaakt.’
Ik plukte een takje uit een pot rozemarijn en liet het in mijn handen ronddraaien. ‘Niet expres.’
‘Ze zei dat je niet bij Sergio wilt slapen.’
‘Daar heb ik geen zin in...’
‘Hoezo?’
‘Omdat ik bij jullie wil slapen. In jullie bed. Allemaal bij elkaar. Als we dicht tegen elkaar liggen gaat het best.’
‘Wat zal Sergio wel denken als je niet bij hem slaapt?’
‘Kan me niet schelen.’
‘Zo ga je niet met gasten om. Stel je voor dat jij bij iemand gaat logeren en niemand wil bij jou slapen. Wat zou jij dan denken?’
‘Dat zou me niks kunnen schelen, ik zou best een kamer voor mezelf willen. Net als in een hotel.’
Heel even glimlachte hij en met twee vingers gooide hij zijn peukje op de weg.
Ik vroeg: ‘Is Sergio de baas? Blijft hij daarom bij ons logeren?’
Hij keek me verbaasd aan. ‘Hoezo de baas?’
‘Nou, hij maakt uit wat er gebeurt.’
‘Nee hoor, hij maakt niks uit. Het is een vriend van me.’
Dat was niet waar. Die oude man was geen vriend, hij was de baas. Dat wist ik best. Hij mocht papa zelfs uitschelden.
‘Papa, waar slaap jij eigenlijk als je naar het Noorden gaat?’
‘Hoezo?’
‘Zomaar.’
‘In een hotel, net hoe het uitkomt, soms in de vrachtwagen.’
‘Maar wat gebeurt er ’s nachts in het Noorden?’
Hij keek me aan, zuchtte diep en vroeg: ‘Wat is er toch? Ben je niet blij dat ik terug ben?’
‘Jawel.’
‘Zeg het eens eerlijk.’
‘Ik ben wel blij.’
Hij sloeg zijn armen stevig om me heen. Ik rook zijn zweet. Hij fluisterde in mijn oor: ‘Hou me eens goed vast Michele, hou me goed vast. Laat eens voelen hoe sterk je bent.’
Ik sloeg mijn armen zo stevig als ik maar kon om hem heen en ik moest huilen. De tranen liepen over mijn wangen en mijn keel zat dicht.
‘Wat doe je nou? Huil je?’
‘Nee, ik huil niet,’ snikte ik.
Hij haalde een verkreukelde zakdoek uit zijn zak. ‘Droog je tranen, als iemand je ziet denkt hij dat je een meisje bent. Michele, ik heb het op het moment heel druk, dus je moet doen wat er gezegd wordt. Je moeder is het zat. Hou op met je kuren. Als je lief bent neem ik je mee naar zee zo gauw ik klaar ben. Dan huren we een waterfiets.’
Met een bibberstem: ‘Wat is een waterfiets?’
‘Een bootje dat in plaats van roeispanen trappers heeft, net als een fiets.’
Ik veegde mijn tranen weg. ‘Kun je daar helemaal mee naar Afrika?’
‘Je moet wel flink trappen om in Afrika te komen.’
‘Ik wil weg uit Acqua Traverse.’
‘Wat is er dan, vind je het hier niet meer fijn?’
Ik gaf zijn zakdoek terug. ‘Laten we naar het Noorden gaan.’
‘Waarom wil je hier weg?’
‘Weet ik niet... Ik vind het hier niet meer fijn.’
Hij staarde in de verte. ‘We gaan ook.’
Ik trok nog een takje van de rozemarijn. Het rook lekker. ‘Weet jij wat wasbeertjes zijn?’
Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Wasbeertjes?’
‘Nee, wat dan?’
‘Weet ik niet... Beertjes die de was doen... Maar misschien bestaan ze niet echt.’
Papa ging staan en rekte zich uit. ‘Aaah, hoor eens, ik ga weer naar binnen, ik moet met Sergio praten. Waarom ga je niet spelen? Straks gaan we eten.’ Hij deed de deur open en wilde net naar binnen lopen, maar bleef nog even staan. ‘Mama heeft tagliatelle klaargemaakt. Na het eten zeg je dat het je spijt.’
Op dat moment kwam Felice aan. Hij remde zo hard dat een hele wolk stof opwaaide en stapte uit zijn 127 alsof er een zwerm wespen in zat.
‘Felice,’ riep papa, ‘kom even boven.’
Felice knikte en toen hij langs me liep gaf hij een tik op mijn nek en zei: ‘Hoe is het, droppie?’
Nu was er niemand bij Filippo.
==
De emmer met poep was vol. Het pannetje met water leeg.
Filippo hield de deken om zijn hoofd. Hij had niet eens gemerkt dat ik het hol in was gekomen.
Zijn enkel zag er volgens mij nog slechter uit, dikker en paars. De vliegen kropen eroverheen.
Ik liep naar hem toe. ‘Hé.’
Hij liet niet blijken dat hij me had gehoord.
‘Hé, hoor je me?’ Ik liep nog dichter naar hem toe. ‘Hoor je me?’
Hij zuchtte: ‘Ja.’
Dan had papa zijn oren nog niet afgesneden.
‘Jij heet Filippo, hè?’
‘Ja.’
Ik had het onderweg geoefend: ‘Ik kom om iets heel belangrijks tegen je te zeggen. Nou... Je moeder zegt dat ze van je houdt. En ze zegt dat ze je mist. Dat zei ze gisteren op de televisie. Op het nieuws. Ze zei dat je niet bang moet zijn... en dat ze niet alleen je oren wil maar jou helemaal.’
Niks.
‘Heb je me gehoord?’
Niks.
Ik zei het nog eens: ‘Nou... Je moeder zegt dat ze van je houdt. En ze zegt dat ze je mist. Dat zei ze gisteren op de televisie. Ze zei dat je niet bang hoeft te zijn... en dat ze niet alleen je oren wil.’
‘Mama is dood.’
‘Hoezo dood?’
Van onder de deken antwoordde hij: ‘Mama is dood.’
‘Wat klets je nou. Ze leeft. Ik heb haar zelf gezien, op de televisie...’
‘Nietwaar, ze is dood.’
Ik legde mijn hand op mijn hart. ‘Ik zweer je bij het hoofd van mijn zusje Maria dat ze leeft. Ik heb haar gisteravond gezien, ze was op de televisie. Niks aan de hand. Ze is blond, mager, een beetje oud... maar wel mooi. Ze zat in een hoge leunstoel, een bruine. Heel groot. Net als die van een koning. En achter haar hing een schilderij met een schip. Klopt dat of niet?’
‘Ja, het schilderij met het schip...’ Hij praatte zachtjes, zijn woorden werden gesmoord door de wol.
‘En je hebt een elektrische trein. Met een locomotief waar rook uit komt. Ik heb het zelf gezien.’
‘Die heb ik niet meer. Die is kapot. Het kindermeisje heeft hem weggegooid.’
‘Het kindermeisje? Wie is dat?’
‘Liliana. Die is ook dood. Peppino is ook dood. En papa ook. En oma Arianna is dood. En mijn broertje is dood. Iedereen is dood. Ze zijn allemaal dood en ze wonen allemaal in holen. In een ervan zit ik. Allemaal. De wereld zit vol holen met doden erin. En de maan is ook een bol met holen en daar zitten weer andere doden in.’
‘Niet waar.’ Ik legde mijn hand op zijn rug. ‘Daar kun je niks van zien. De maan is net als altijd. En je moeder is niet dood. Ik heb haar zelf gezien. Je moet luisteren naar wat ik zeg.’
Hij was even stil, toen vroeg hij: ‘Waarom komt ze dan niet hierheen?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Weet ik niet.’
‘Waarom komt ze me niet halen?’
‘Weet ik niet.’
‘En waarom ben ik hier?’
‘Weet ik niet.’ Toen zei ik, zo zachtjes dat hij me niet kon horen: ‘Mijn papa heeft je hier gebracht.’
Hij gaf me een schop. ‘Jij weet niks. Laat me met rust. Jij bent mijn engelbewaarder niet. Je bent gemeen. Ga maar weg.’ En hij begon te huilen.
Ik wist niet wat ik moest doen. ‘Ik ben niet gemeen. Ik kan er niks aan doen. Niet huilen, alsjeblieft.’
Hij bleef schoppen. ‘Ga weg. Ga maar weg.’
‘Luister nou...’
‘Ga weg!’
Ik sprong overeind. ‘Ik ben voor jou hierheen gekomen, ik heb dat hele eind twee keer gereden en jij jaagt me weg. Best, ik ga al, maar als ik wegga kom ik niet meer terug. Nooit meer. Dan blijf je voorgoed hier, helemaal alleen, en ze willen allebei je oren afsnijden.’
Ik pakte het touw en begon omhoog te klimmen. Ik hoorde hem huilen. Net of hij stikte.
Ik kroop het hol uit en zei: ‘En je engelbewaarder ben ik niet.’
‘Wacht...’
‘Wat is er?’
‘Blijf nou.’
‘Nee. Je zei dat ik weg moest en nou ga ik.’
‘Alsjeblieft, blijf nou.’
‘Nee!’
‘Alsjeblieft, vijf minuutjes maar.’
‘Goed dan. Vijf minuutjes. Maar als je zo raar doet, ga ik weg.’
‘Ik zal het niet meer doen.’
Ik ging naar beneden, hij voelde aan mijn voet.
‘Waarom kom je niet onder die deken vandaan?’ vroeg ik, en hurkte naast hem.
‘Dat gaat niet. Ik ben blind...’
‘Hoezo blind?’
‘Mijn ogen gaan niet open. Ik wil ze wel opendoen maar ze zitten dicht. In het donker kan ik wel zien. In het donker ben ik niet blind.’ Opeens leefde hij op. ‘Weet je, ze hadden gezegd dat je zou terugkomen?’
‘Wie?’
‘De wasbeertjes.’
‘Hou nou eens op met die wasbeertjes. Papa zei dat ze niet bestaan. Heb je dorst?’
‘Ja.’
Ik maakte mijn tas open en haalde de fles eruit. ‘Hier.’
‘Kom eens hier.’ Hij tilde de deken op.
Ik trok een vies gezicht. ‘Daaronder?’ Dat leek me een beetje eng. Maar dan kon ik wel zien of zijn oren nog op hun plaats zaten.
Hij raakte me overal aan. ‘Hoeveel jaar ben jij?’ Zijn vingers streken over mijn neus, mijn mond, mijn ogen.
Ik hield me stokstijf. ‘Negen. En jij?’
‘Negen.’
‘Wanneer ben jij geboren?’
‘Twaalf september. En jij?’
‘Twintig november.’
‘Hoe heet je?’
‘Michele. Michele Amitrano. In welke klas zit jij?’
‘De vierde. En jij?’
‘De vierde.’
‘Net als ik.’
‘Net als jij.’
‘Ik heb dorst.’
Ik gaf hem de fles.
Hij dronk wat. ‘Lekker. Wil jij wat?’
Ik dronk ook een slokje. ‘Mag ik de deken een beetje omhoogdoen?’ Ik hield het niet uit van de hitte en de stank.
‘Een klein stukje.’
Ik trok de deken net genoeg weg om lucht te krijgen en zijn gezicht te zien.
Hij was pikzwart. Smerig. Zijn dunne blonde haar zat vol aarde en vormde één harde, droge klit. Zijn oogleden zaten potdicht door het opgedroogde bloed. Zijn lippen waren zwart en gebarsten, zijn neusgaten verstopt door snot en korsten.
‘Zal ik je gezicht wassen?’ vroeg ik.
Hij rekte zijn hals, tilde zijn gezicht op, en op zijn gehavende lippen verscheen een glimlach. Zijn tanden waren zwart geworden.
Ik trok mijn T-shirt uit, maakte het nat en begon zijn gezicht schoon te maken.
Waar ik wreef, zag je zijn witte vel, zo wit dat het wel doorschijnend leek, net als het vlees van gekookte vis. Eerst zijn voorhoofd, toen zijn wangen.
Toen ik zijn ogen nat maakte zei hij: ‘Zachtjes, het doet pijn.’
‘Ik doe zachtjes.’
Ik kreeg de korsten niet los. Maar ik wist dat het net zulke korsten waren als honden wel eens hadden. Als je die weghaalt kunnen honden weer kijken. Ik maakte ze telkens opnieuw nat, tot ze zo zacht waren dat één ooglid openging – en meteen weer dicht. Heel even maar, net genoeg om te voelen hoe veel pijn een lichtstraaltje in zijn ogen deed.
‘Auauau,’ brulde hij en stak zijn hoofd onder de deken, net als een struisvogel.
Ik rammelde hem door elkaar. ‘Zie je wel? Zie je wel? Je bent niet blind, je bent helemaal niet blind!’
‘Ik kan ze niet openhouden.’
‘Dat komt doordat je almaar in het donker zit. Maar je ziet wel wat, ja toch?’
‘Ja. Je bent klein.’
‘Ik ben niet klein. Ik ben al negen.’
‘Je hebt zwart haar.’
‘Klopt.’
Het was al heel laat, ik moest naar huis. ‘Maar nu moet ik weg. Morgen kom ik weer.’
Met zijn hoofd onder de deken zei hij: ‘Beloofd?’
‘Beloofd.’
==
Toen die oude man mijn kamer in kwam, was ik net bezig de monsters op een dwaalspoor te brengen.
Als klein kind droomde ik altijd over monsters. En ook nu ik volwassen ben, gebeurt dat me nog wel eens, alleen kan ik ze nu niet meer om de tuin leiden.
Ze wachtten alleen tot ik sliep en dan begonnen ze me bang te maken.
Tot ik op een nacht een manier bedacht om geen akelige dromen meer te krijgen.
Ik had een plekje gevonden waar ik die misvormde, angstaanjagende wezens kon opsluiten om ongestoord te kunnen slapen.
Ik ontspande me en wachtte tot mijn oogleden zwaar werden, en net als ik op het punt stond in slaap te vallen, precies op dat moment, stelde ik me voor dat ik ze allemaal tegelijk een helling op zag lopen, net als de processie van de Madonna van Lucignano.
Pukkelien de heks, met haar bochel en haar rimpels. De weerwolf op vier poten, met gescheurde kleren en witte slagtanden. De zwarte man, een schim die als een slang over de stenen gleed. Lazarus, een door insecten aangevreten lijk met een wolk vliegen om zich heen. De boze reus met zijn piepkleine oogjes en zijn dikke buik, zijn zevenmijlslaarzen en een zak vol kinderen over zijn schouder. Zigeuners, een soort vossen op kippenpoten. De man met de hoepel, een kerel in een felblauwe overal met een lichtgevende hoepel die hij heel ver weg kon gooien. De vissenman die op de bodem van de zee woonde en zijn moeder op zijn rug droeg. Het octopusjongetje, dat was geboren met tentakels in plaats van armen en benen.
Daar gingen ze, met z’n allen. Zonder precies te weten waarheen. Ze zagen er vreselijk uit, en toch stond niemand stil om naar ze te kijken.
Plotseling verscheen er dan een bus, helemaal goudkleurig, met bellen en gekleurde lampjes. Op het dak stond een luidspreker die schetterde: ‘Dames en heren, stap in de wensbus! Stap in deze prachtige bus, die u allemaal naar het circus brengt zonder dat het u ene cent kost! Heden gratis naar het circus! Stap maar in! Stap maar in!’
Dolblij met dat onverwachte buitenkansje stapten alle monsters in. Op dat moment stelde ik me voor hoe er een opening in mijn buik verscheen, een grote spleet waar ze allemaal nietsvermoedend in verdwenen.
Die stommelingen dachten dat het een circus was. Dan sloot ik de opening en zaten ze in de val. Nu hoefde ik alleen maar met mijn handen op mijn buik te gaan slapen om geen akelige dromen te krijgen.
Ik had ze net in de val gelokt toen die oude man binnenkwam, waardoor ik werd afgeleid en mijn handen weghaalde, zodat ze ontsnapten. Ik hield mijn ogen dicht en deed net of ik sliep.
Hij maakte een hoop herrie. Hij sleepte met zijn koffers, hoestte, snoot zijn neus.
Ik sloeg een arm om mijn hoofd en keek stiekem wat hij uitspookte.
Een hoek van de kamer werd beschenen door een enkel straaltje licht. Hij zat op Maria’s bed. Mager, krom, donker. Hij rookte. Als hij inhaleerde zag ik zijn haviksneus en zijn diepliggende ogen rood oplichten. Ik rook tabakslucht en eau de cologne. Zo nu en dan schudde hij zijn hoofd. Dan blies hij, alsof hij met iemand ruzie zat te maken.
Hij begon zich uit te kleden, trok zijn laarzen uit, zijn sokken, zijn broek, zijn overhemd. Zijn onderbroek hield hij aan. Zijn vel hing slap, alsof ze het om zijn lange botten heen hadden genaaid. Zijn sigaret gooide hij het raam uit. Het peukje verdween in de nacht als een gloeiend brokje lava. Hij schudde zijn haar los en leek wel een oude, zieke Tarzan. Toen ging hij op bed liggen.
Nu zag ik hem niet meer, maar hij lag vlakbij. Nog geen halve meter van mijn voeten. Als hij een hand uitstak, had hij mijn enkel te pakken. Als een egel rolde ik me in elkaar.
Ik mocht niet gaan slapen. Als ik in slaap viel kon hij me pakken. Ik moest iets bedenken. Spijkers in mijn bed. Dan viel ik niet in slaap.
Hij schraapte zijn keel. ‘Je stikt hierbinnen van de hitte. Hoe hou je het uit.’
Ik hield mijn adem in.
‘Ik weet best dat je niet slaapt.’
Hij wilde me erin laten lopen.
‘Je bent een slimmerik... Je moet me niet, hè?’
Nee, ik moet je niet! had ik willen antwoorden. Maar dat kon niet. Ik sliep. En ook als ik wakker was geweest, had ik dat nooit durven zeggen.
‘Mijn eigen kinderen moeten me ook niet.’ Hij pakte een fles van de grond die mama daar speciaal voor hem had neergezet, en nam een paar slokken. ‘Zo lauw als pis,’ klaagde hij. ‘Ik had er twee. De ene leeft nog, maar die lijkt wel dood. De ander is dood, maar die lijkt wel levend. De levende heet Giuliano. Die is ouder dan jij. Die woont niet meer in Italië. Hij is weggegaan, naar India... Vijf jaar geleden. Hij woont in een commune. Ze hebben zijn hersens volgepompt met allerlei onzin. Zijn hoofd is kaalgeschoren, hij kleedt zich helemaal in het oranje en denkt dat hij nu ook een Indiër is. Hij gelooft ook dat je een heleboel keren leeft. Hij zit tot zijn nek vol drugs en zal daarginds als een hond creperen. Ik ga er echt niet heen om hem te halen...’
Hij kreeg een hoestbui. Een droge hoest. Zijn longen uit zijn lijf. Hij kreeg weer lucht en ging door: ‘Francesco is vijf jaar geleden gestorven. In oktober zou hij tweeëndertig zijn geworden. Dat was een fijne jongen, ik was gek op hem.’ Hij stak nog een sigaret op. ‘Op een dag leerde hij een meisje kennen. Zodra ik haar zag vond ik het niks, meteen al niet. Ze zei dat ze gymlerares was. Een hoer. Zo’n mager blondje... Half Slavisch. Slaven zijn het ergste. Ze heeft hem ingepakt, als een snoepje. Ze had geen rooie cent, zag Francesco en heeft zich aan hem vastgeklampt, want Francesco was een aardige jongen, gul, zo eentje die zich uiteindelijk door iedereen in de maling laat nemen. Geen idee wat ze heeft geflikt om hem zo gek te krijgen. Naderhand hebben ze verteld dat die hoer het met een soort tovenaar hield. Een klootzak die hem op een of andere manier in zijn macht had. Met zijn tweeën hebben ze hem onder handen genomen, hij was totaal verzwakt. Hij werd broodmager. Het was een sterke jongen, maar hij zag eruit als een geraamte en kon niet meer op zijn benen staan. Op een dag komt hij naar me toe en zegt dat hij gaat trouwen. Niks meer aan te doen. Ik probeerde hem duidelijk te maken dat die meid zijn ondergang werd, maar het was uiteindelijk zíjn leven. Ze zijn getrouwd en met de auto op huwelijksreis gegaan, naar Positano en Amalfi, aan de kust. Er gaan twee dagen voorbij en hij laat niks horen. Dat is normaal, zeg ik, ze zijn op huwelijksreis. Hij belt nog wel. Maar wie denk je dat er belt? Het politiebureau in Sorrento. Ze zeggen dat ik meteen moet komen. Ik vraag waarom. Dat kunnen ze niet door de telefoon zeggen. Ik moet erheen als ik het wil weten. Ze zeggen dat het om mijn zoon gaat. Maar hoe moest ik daar godverdomme komen? Ik kon er niet heen. Als ze me natrokken was ik erbij. Ik werd gezocht omdat ik me na mijn verlof niet meer had gemeld. Dan zouden ze me weer opsluiten. Ik heb ze laten bellen door iemand die ik kende, iemand met connecties. En die zegt dat mijn zoon dood is. Hoezo dood? Die vent zegt dat hij er zelf een eind aan heeft gemaakt, dat hij zich van een steile helling heeft laten vallen. Dat hij tweehonderd meter omlaag is geduikeld en op de rotsen te pletter geslagen. Mijn zoon? Francesco die er zelf een eind aan maakt? Maak dat de kat wijs. Ik kon er niet heen. Toen heb ik dat stuk onbenul van een moeder van hem gestuurd om te zien wat er gebeurd was.’
‘Wat was er dan gebeurd?’ flapte ik eruit.
‘Volgens hen was Francesco langs de weg gestopt om naar het uitzicht te kijken. Zij zat in de auto, hij maakte een foto van haar, klom over het muurtje en gooide zich omlaag. Iemand maakt zeker eerst een foto van zijn vrouw en gooit zich dan omlaag. Die man zegt dat hij totaal verbrijzeld was toen ze hem vonden, met zijn pik uit zijn broek en zijn fototoestel om zijn nek. Denk jij dat iemand die er een eind aan wil maken eerst een foto maakt, zijn pik uit zijn broek haalt en zich dan laat vallen? Wat een flauwekul. Ik weet wel hoe het is gegaan... Niks geen uitzicht. Francesco is gestopt omdat hij moest pissen. Dat wilde hij niet langs de weg doen, het is een nette jongen. Hij is over het muurtje geklommen, heeft zijn behoefte gedaan en die hoer heeft hem een zet gegeven. Maar niemand gelooft me. Eén duw en weg was-ie, vermoord.’
‘Waarom dan?’
‘Precies. Waarom? Weet ik niet. Hij had geen cent. Ik weet het echt niet. Ik kan er ’s nachts niet van slapen. Maar ik heb het dat wijf wel betaald gezet... Ik heb haar... Ach, laat maar zitten, het is al laat. Welterusten.’
Hij gooide zijn sigaret het raam uit en ging slapen. Na twee minuten sliep hij en na drie minuten lag hij te snurken.